Schimmen in de Franse provincie

La chasse aux papillons. Regie: Otar Iosseliani. Met: Narda Blanchet, Emmanuel de Chauvigny, Alexandre Tscherkassof, Sacha Piatigorsky. In: Amsterdam, Desmet; Utrecht, Springhaver; Eindhoven, Plaza Futura.

In een Frans dorpje aan een kanaal met een tunnel, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan, bevinden zich twee landhuizen. Het ene chateau wordt bewoond door de weduwe van een tsaristische officier, haar eveneens bejaarde zuster, nicht en huishoudster; in het andere huizen een op geld beluste notaris, zijn louche zoon en schoondochter. Langs dit idyllische, maar steevast door wolkenluchten, motregen en mist overschaduwde oord vaart een aak die - met een knipoog naar Jean Vigo - L'Atalante heet. Het zou het decor van een film van Renoir kunnen zijn, maar ook van een van de vroege Georgische produkties van Otar Iosseliani (Pastorale, Vallende bladeren). Sinds hij in Frankrijk films maakt, wil Iosseliani ons vooral universele vermaningen doen toekomen.

Het dorp uit La chasse aux papillons is typisch Frans, maar ook een soort microkosmische samenballing van de oude wereld. We treffen er een alcoholistische pastoor aan, maar ook een logerende maharadja, Russische spoken, leden van de hare krishna-sekte en een diefachtige Afrikaanse. De grootste schurken zijn Japanse zakenlieden, die na de dood van de hoofdbewoonster het ene landhuis opkopen om het om te toveren tot een multifunctioneel, geestloos kantoor.

Het is niet zozeer de nadrukkelijke boodschap van Iosseliani, dat een oude cultuur aan het afsterven is om plaats te maken voor uniform materialisme zonder geheugen, die me stoort in deze wonderlijke Frans-Italiaans-Duitse coproduktie. De regisseur-scenarist zou immers in deze analyse nog wel eens gelijk kunnen hebben.

Het probleem is dat La chasse aux papillons zo bijzonder onhelder geformuleerd is. Er fladderen talloze vlinders door de film, zonder dat ooit duidelijk wordt wie of wat deze passant nu weer voorstelt. Dat een telefoongesprek met vage familieleden in Moskou niet ondertiteld wordt, maakt niets meer uit, omdat de kijker dan het spoor al volledig bijster is geraakt in deze te impressionistische ode aan oude waarden. De talrijke personages worden nauwelijks geïntroduceerd, hun onderlinge relatie werd me pas (ten dele) onthuld door de begeleidende persmap. Als een aantal van hen aan het slot door terroristen de lucht in wordt geblazen, kan me dat weinig schelen, omdat ik niet goed weet wie ze zijn.

Vergelijk zo'n letterlijk en figuurlijk schimmige film nu eens met de eveneens onlogische, maar glasheldere films van de oudere Buñuel. Ook Le charme discret de la bourgeoisie en Le fantôme de la liberté rouwen op hun manier over de teloorgang van de oude orde, waarmee de regisseur een haat-liefde-verhouding onderhield. De mogelijke charme van Iosseliani's onderwerp, nog wel present in de stoelendans van antieke voorwerpen in Les favoris de la lune, is nu geheel vertroebeld door een mistige presentatie. Ergens is Iosseliani onderweg de draad kwijtgeraakt, of wij kunnen zijn etherische ironie niet meer volgen, verpest als we zijn door de visuele MacDonalds-cultuur.