Pensioen-bv's

Op 11 maart jongstleden heeft de staatssecretaris van financiën het langverwachte wetsvoorstel Brede Herwaardering II naar de Tweede Kamer gestuurd. Eén van de meest in het oog springende onderdelen ervan is dat vanaf 1 januari 1994 pensioen-bv's niet meer als verzekeraar van pensioenrechten voor directeuren-grootaandeelhouders mogen optreden.

Op de pensioentoezegging aan een werknemer die houder is van aandelen, die ten minste 10 procent van het geplaatste kapitaal in een vennootschap vertegenwoordigen, is de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) niet van toepassing. De pensioenregeling voor deze werknemer - meestal directeur-grootaandeelhouder - hoeft derhalve niet via een bedrijfs- of ondernemingspensioenfonds of via een professionele verzekeringsmaatschappij te worden uitgevoerd. In plaats daarvan is het toegestaan op de balans van de vennootschap een reserve te vormen voor betaling van de pensioenrechten. Dit is de situatie van eigen beheer, waarbij de werkgever in feite als verzekeraar optreedt. Ook laat de PSW toe de pensioenrechten voor de directeur-grootaandeelhouder onder te brengen bij een eigen pensioenlichaam (een directiepensioen-bv of directiepensioenstichting).

Aantrekkelijk van een eigen pensioen-bv is dat bij overlijden van de werknemer de erfgenamen kunnen profiteren van de waardestijging van de aandelen in de pensioen-bv (de sterftewinst), als ze die aandelen in handen hebben, zonder dat hierover successierecht is verschuldigd. Deze wijze van onbelaste vermogensoverheveling zal op grond van Brede Herwaardering II evenwel vervallen.

Het wetsvoorstel bevat verder een limitatieve opsomming van instellingen die als pensioenverzekeraar mogen optreden: professionele pensioenfondsen en professionele verzekeringsmaatschappijen. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen kunnen als verzekeraar optreden voor verzekeringen die de werknemer had gesloten toen hij niet in Nederland woonde. Ten slotte mag ook de werkgever of gewezen werkgever als pensioenverzekeraar optreden, wat betekent dat eigen beheer mogelijk blijft.

Ten aanzien van de directeur-grootaandeelhouder is deze eigen-beheersituatie alleen toegestaan indien de vennootschap de pensioenverplichtingen tot het binnenlands ondernemingsvermogen rekent en deze vennootschap naast het verzekeren van pensioen tevens materieel een onderneming drijft. De onderneming mag dus niet uitsluitend als pensioenverzekeraar optreden. Indien de vennootschap bij het staken van de onderneming of de overdracht daarvan ophoudt een onderneming te drijven, is eigen beheer niet langer toegestaan. De pensioenrechten moeten dan worden ondergebracht bij een professioneel pensioenfonds of een professionele verzekeringsmaatschappij.

Uit deze opsomming van verzekeraars blijkt dat pensioenrechten niet meer bij een pensioen-bv kunnen worden ondergebracht. De bedoeling is dat dit vanaf 1 januari 1994 gaat gelden. Wel is voor de pensioen-bv het overgangsrecht van belang, want wat gebeurt er met reeds bestaande besloten vennootschappen? In dit verband leidde een in het najaar van 1992 uitgelekt concept van het wetsvoorstel Brede Herwaardering II tot veel commotie. Blijkens dat concept zou de pensioen-bv niet meer als verzekeraar van pensioenrechten mogen optreden, tenzij de bv al op 1 januari 1993 bestond. Deze plannen veroorzaakten een stroom nieuwe pensioen-bv's. Bij het ministerie van justitie werden zo'n 20.000 verzoeken tot het afgeven van een verklaring van geen bezwaar voor oprichting van een pensioen-bv ingediend.

Deze run op pensioen-bv's heeft ertoe geleid dat in het wetsvoorstel Brede Herwaardering II ook reeds bestaande pensioen-bv's na een overgangstermijn niet meer als verzekeraar van pensioenrechten mogen optreden. Het overgangsrecht onderscheidt wel tussen pensioenrechten opgebouwd voor en na 1 januari 1994. Op de voor 1 januari 1994 opgebouwde pensioenrechten blijft het oude regime van toepassing. Hiervoor kan de pensioen-bv dus als pensioenverzekeraar blijven bestaan. Voor pensioenrechten die aansluitend vanaf 1 januari 1994 uit dezelfde dienstbetrekking ontstaan, kan de pensioen-bv slechts gedurende een overgangstermijn als verzekeraar blijven optreden. Die termijn bedraagt evenveel jaren als de pensioen-bv voor 1 januari 1994 al bestond, met een maximum van tien. Dit betekent dat tot uiterlijk 1 januari 2004 op te bouwen pensioenrechten nog bij een pensioen-bv kunnen worden verzekerd. Pensioenpremies die daarna aan een pensioen-bv worden betaald, zijn niet meer vrijgesteld van de heffing van loonbelasting.

Natuurlijk geldt het voorbehoud dat het wetsvoorstel ongeschonden door het parlement komt. De Raad van State was zeer kritisch en verzocht om heroverweging van het voornemen eigen pensioenlichamen niet als verzekeraar aan te merken. De Raad wees erop dat de PSW pensioen-bv's toestaat, doch dat dit nu via de achterdeur van de fiscale wetgeving tot een dode letter wordt. Ook stelde de Raad dat via een pensioen-bv soms met minder kosten en betere rendementen kan worden gewerkt. De staatssecretaris heeft de kritiek van de Raad van State evenwel gepasseerd.