Munitie voor hoofdcommissaris Nordholt

L.627. Regie: Bertrand Tavernier. Met: Didier Bezace, Charlotte Kady, Jean-Paul Comart, Jean-Roger Milo, Philippe Torreton, Nils Tavernier. In: Amsterdam, Cinecenter; Nijmegen, Cinemariënburg

Artikel L.627 van de Franse wet op de Volksgezondheid verbiedt het bezit, de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Zo droog-zakelijk als de titel van de laatste film van Bertrand Tavernier het thema begrenst, is ook de stijl van L.627. Het imposante, vijftien lange films omvattende oeuvre van Tavernier is mede gekenmerkt door zijn consciëntieuze, journalistiek-sociologische verkenning van plaats en tijd. Maar historische films als Le juge et l'assassin of Que la fête commence of eigentijdse milieuschetsen als Des enfants gâtés en Une semaine de vacances namen de correcte feiten steevast als uitgangspunt voor een lyrische vertelling. In Taverniers groepsportret van een Parijse narcoticabrigade is nauwelijks meer een plot of een emotionele motor waarneembaar.

L.627 is eerder een quasi-documentaire kroniek van de dagelijkse praktijk van een tegen de bierkaai vechtend politieonderdeel. Samen met rechercheur Michel Alexandre schreef Tavernier deze ongetwijfeld waarheidsgetrouwe dramatisering van het dweilen met de kraan open. De politiemensen oogsten weinig sympathie in hun soms plichtmatige, dan weer overenthousiaste, maar steevast door cynisme geïnfecteerde confrontaties met dealers, gebruikers, hoertjes, verklikkers en drugskoeriers. De echte onderwereldbazen blijven buiten schot, omdat de commissaris van de afdeling meent dat het voor de statistieken niet uitmaakt of je een kleinverbruiker of een groothandelaar arresteert. Slechts de nominale hoofdpersoon Lulu (Didier Bezace) wordt gedreven door ware liefde voor zijn werk. Het verhindert niet dat hij regelmatig in aanvaring komt met zijn superieuren noch dat hij een soort vaderlijke, platonische liefdesrelatie onderhoudt met een seropositief heroïnehoertje.

Het gaat Tavernier niet om de psychologische of dramatische interactie tussen de verschillende personages, laat staan om een spannende politiefilm met achtervolgingen en het ontrafelen van criminele intriges.

Een moeilijk te beantwoorden vraag is wat Tavernier dit keer dan wel beoogt in zijn bekwame, maar weinig meeslepende schildering van de grauwe realiteit. De opdracht van de film aan zijn ooit aan drugs verslaafde zoon Nils Tavernier (die een van de rechercheurs vertolkt) wijst op een maatschappelijke waarschuwing. Die krijgt dan vooral vorm in een aanklacht tegen de treurige werkcondities van de politie. Het bureau is gevestigd in een kale barak, waar niets naar behoren functioneert. Het gebruik van mechanische oude typemachines door wetshandhavers, die de strijd aan moeten binden met volledig gecomputeriseerde boeven, heeft me wel vaker verbaasd. Voor het eerst wordt in L.627 een ironische verklaring gegeven voor die paradox: zo is men bij het opmaken van een proces-verbaal ten minste niet kwetsbaar voor eventuele stroomstoringen.

Taverniers betoog lijkt munitie te verschaffen aan de jammerklachten van de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt en andere politiefunctionarissen over de archaïsche middelen, die de gemeenschap en de politici hen toedelen. Tegelijkertijd laat L.627 ook zien hoe kleine corruptie en bot racisme knagen aan het onversaagde imago van hen die waken, opdat wij rustig slapen. Realisme is wellicht de belangrijkste deugd van Taverniers ambachtelijke, maar weinig opwindende laatste film. Een echte documentaire over hetzelfde onderwerp (zoals Raymond Depardons Faits divers) zou minder kunnen onthullen, maar desondanks meer overtuigen.