Met glans

Mijn eerste echte uilen waren aan de hond te danken. Bello nog, een Ierse setter. We wandelden in de Hatertse vennen en het werd donker. Uilen kwamen kijken wat ze van zo'n grote rode muis moesten denken.

Die houtsnip, ook zoiets. Ik ben houtsnippen gewend die hals over kop bij je vandaan schieten. Deze kwam naar me toe. Kennelijk was hij bezig uit de weg te gaan voor Rekel, die nogal op kop liep.

Hij vloog een eindje langs de sloot, keerde terug naar de kade en begon meteen weer zoekend rond te lopen, tot op een meter van mijn voet. Doodstil was ik blijven staan. Je moet doen alsof je er niet bent, dan bereik je het meest.

Wat te verwachten was: het gebandeerde kopje, het brede voorhoofd, de lange snavel, eigenaardig bij de borst gehouden. Zo staat hij in de boekjes.

Wat een verrassing was: de glans van zijn kleed. Er bestaat een glans die zich lijkt los te maken, een afzonderlijke hoedanigheid van licht, iets dat zacht verstuivend langs het glanzend lichaam vloeit. Dat zie je min of meer bij paarlemoer. Dat zag ik bij die houtsnip.

En het onmetelijk egale grijze oog. Dit oog keek schuingehouden naar mij op en nee, dacht het, dit is geen boom.

Kalmpjes ging de vogel weg. Zijn glans natuurlijk ook.