De waardigheid van een honderdjarige dichter-soldaat

In 1915 vocht hij in Turkije, in 1916-1918 in Frankrijk en Vlaanderen - nu is Geoffrey Dearmer de laatste levende Engelse "War Poet'. Afgelopen zondag werd hij honderd, twee dagen nadat een nieuwe uitgave van zijn werk ten doop was gehouden.

Een half jaar geleden was de Engelse schrijver en dichter Laurence Cotterell (75), oud-voorzitter van de Poetry Society, druk bezig met de samenstelling van een bloemlezing van gedichten over dieren, en van alle auteurs wilde hij het geboorte- en eventueel het sterfjaar opgeven. Echter: van Geoffrey Dearmer, die in 1915 tijdens de noodlottige geallieerde Dardanellen-expeditie The Turkish Trench Dog dichtte, kon Cotterell het jaar van overlijden maar niet vinden. In een Londense hotellounge geeft hij tekst en uitleg over wat volgde: “Ik vroeg het overal en aan iedereen - niemand had enig idee. Tot ik me tot de BBC wendde. Ik wist dat Dearmer van 1936 tot 1956 redacteur was geweest van het radioprogramma Children's Hour. Ze zouden voor me natrekken wanneer hij was overleden - en tot hun stomme verbazing ontdekten ze dat hij nog steeds een pensioen trok.”

Terwijl iedereen in Engeland dacht dat ze allemaal al lang gegaan waren, bleek één van de war poets uit de Eerste Wereldoorlog alive and well and living in Kent.

Contact met de inmiddels 99-jarige pensioengerechtigde was snel gelegd, en Cotterell - zelf war poet uit de Tweede Wereldoorlog - vatte minstens even snel het plan op om bij Dearmers honderdste verjaardag een uitgave van zijn werk te laten verschijnen. Cotterell: “De man is zo bescheiden: behalve de bundels die in 1918 en in 1923 van hem zijn verschenen, heeft hij niets van zijn eigen werk bewaard, geen recensies, niets. Er zijn vrij veel gedichten van hem in tijdschriften verschenen, maar hij weet niet waarin en wanneer.”

Dearmer bleek voor zijn leeftijd nog zeldzaam helder van geest, en ook zijn bescheidenheid was niet aangetast door de jaren. “Hij zei: "Het kan niet, het heeft geen zin, het is het beste wanneer mijn gedichten helemaal vergeten worden.' ”

Vijfenzeventig jaar geleden dacht een recensent van de New York Times daar anders over. Over Poems (1918) schreef Robert McBride: “Dit is de eerste bundel van een Engelse dichter-soldaat wiens werk door alle Engelse critici wordt bewonderd. Dearmer is een oorlogsdichter par excellence [...] Zijn werk wordt gekenmerkt door uiterste eenvoud van vorm, soberheid bijna, maar zonder tekort aan gevoel. Zelfs in de minst pretentieuze gedichten, zoals "The Turkish Trench Dog', heerst een aan grandeur grenzende waardigheid.”

Cotterell zocht steun bij Dearmers dochter en zijn relatief jeugdige halfzusters, kreeg de dichter om, vond een uitgever, en bereikte zijn doel net op tijd: afgelopen vrijdag werd in het Londense Imperial War Museum aan Dearmer het eerste exemplaar uitgereikt van A Pilgrim's Song (82 pagina's, John Murray, 12.99 pond), in aanwezigheid van de voorzitter en de directeur van de BBC, en de Duitse ambassadeur in Londen, Von Richthofen, toevallig een achterneef van de Rode Baron.

Waar Dearmer te plaatsen? Hoe verhoudt hij zich tot de oorlogsdichters die niet werden vergeten, zoals Rupert Brooke (1887-1915), Wilfred Owen (1893-1918), Edmund Blunden (1896-1974), Robert Graves (1895-1985), Siegfried Sassoon (1886-1967), Julian Grenfell (1888-1915) - “... oh, Grenfell”, onderbreekt Cotterell, “... the naked earth is warm with Spring .... I love that!”

Hij heeft het niet zo op indelingen, zeker niet van dichters. “Indelen in handig, makkelijk, en fout.” Ik werp tegen dat de war poets toch moeiteloos rond twee polen zijn te groeperen: de idealisten als Brooke, Grenfell en Charles Sorley (1895-1915) die de eerste anderhalf jaar van de oorlog zongen over het verhevene dat verdedigd moest worden: omsluierd door de smarten van het slagveld, maar ieder offer waard - en anderzijds de ontgoochelde pessimisten als Owen, Graves en Sassoon, die later dichtten over de uitzichtloze loopgravenoorlog.

Now God be thanked Who matched us with His hour,

schreef Brooke nog in november 1914.

Maar drie jaar later noteerde Owen:

What passing-bells for these who die as cattle?

Only the monstrous anger of the guns.

En:

Red lips are not so red

As the stained stones kissed by the English dead

Cotterell zwijgt een tijdje. Met die regel van Brooke zou Dearmer het niet eens zijn, weet hij zeker. “Dearmer haatte de oorlog. Je kan hem niet indelen, denk ik. Hij heeft iets van het optimisme van Grenfell, de liefde voor de natuur van Blunden .... Wat Dearmer onderscheidt van vrijwel alle anderen, is dat hij nooit wanhoopte. Terwijl andere dichters naar de modder keken, hield hij steeds zijn blik gericht op de sterren, en die zijn even reëel als de modder. Hij bleef steeds overeind door zijn diepe geloof, al vind je er nauwelijks directe verwijzingen naar in zijn werk.”

Een dag voor Dearmers honderdste verjaardag bel ik aan bij nummer 17 van een sjieke bejaardenflat bij Margate, op een steenworp afstand van de zee, en een minuut later weer. Weer tevergeefs. Dan maar de bel van de beheerder, die snel ter plaatse is en uitlegt dat ik nummer 33 moet hebben, de flat van Dearmers vriendin Dorothy (95). Ik mag vast doorlopen naar flat 17, waar de oeroude oorlogsdichter een paar minuten later stralend komt binnenzetten: beide handen stevig aan de handvatten van een driewielige wandelhulp, en op de voet gevolgd door Dorothy, die langdurig informeert naar de juiste uitspraak van mijn naam terwijl Dearmer zich in een stoel manoeuvreert. “Don't keep him too long”, vermaant ze als ze zich weer terugtrekt.

“Die wheeled walkers zijn vreselijk handig”, stelt Dearmer met een blik in mijn toekomst, voor we zijn verleden bezien.

Toen in januari 1916 in Engeland de dienstplicht werd ingevoerd, had hij er al bijna een jaar oorlogservaring opzitten. Zeker, vrijwilliger, “want het zou een schande zijn geweest als ik me niet had aangemeld. Als je een beetje opleiding had, werd je junior officer. En dat was het gevaarlijkste werk, want aan het front moest je je mannen voorgaan. Militaire ervaring had bijna niemand, alleen degenen die in de Boerenoorlog gevochten hadden.”

Was hij het eens met Brooke's woorden Now God be thanked Who matched us with His hour?

“Toen? Zeker! Now God be thanked Who matched us with His hour, and caught our youth, and wakened us from steeling - no, sleeping. Zo was de sfeer in die dagen, totaal anders dan bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, want toen hadden we wel ervaring. In 1914 dachten we dat de oorlog een paar maanden zou gaan duren.”

Gevochten had hij toen nog niet - gedicht wel, wat te maken had met zijn ouders: Geoffreys vader Percy was een van de vruchtbaarste dominee-schrijvers die de Anglicaanse kerk ooit meemaakte (inclusief heredities en voorwoorden bracht hij het op 122 titels), zijn moeder Mabel was een beroemd illustratrice van kinderboeken. “Mijn eerste gedichten stuurde ik naar vrienden met de vraag wat ze ervan vonden. Ze zeiden dat ik talent had, en toen de oorlog uitbrak had ik al een paar gedichten verkocht aan tijdschriften. Daar kreeg je dan twee guineas voor of zo.”

Dat hij verzen schreef in Turkije en Frankrijk, was slechts de voortzetting van iets persoonlijks. Dat tientallen zoniet honderden andere militairen over hun ervaringen dichtten - en niet alleen uit Engeland; er waren ook goede Franse en Poolse en Duitse oorlogsdichters - viel pas op toen het vrede was. “Rupert Brooke was eigenlijk de enige die al voor het einde van de oorlog bekend was geworden”, herinnert Dearmer zich. Mijn vraag of hij de ellende van zich af dichtte, roept nauwelijks een reactie op: “Ja ... ook wel ... Maar het was vooral het gevoel dat je met je talenten moet woekeren. Ik wilde het vak leren, als je het een vak kunt noemen. Je moet als dichter niet te lang wachten: ik denk niet dat iemand ooit op zijn oude dag goede poëzie heeft geschreven.”

Op de slagvelden zelf schreef hij niets, ook geen korte aantekeningen of ideeën. “Veel te gevaarlijk! Overal kon een sluipschutter op de loer liggen. Ik schreef altijd later, op verlof.” Na 1918 kon Dearmer kennis nemen van wat anderen hadden gedicht, en al snel wist hij wie zijn grote favoriet was. Met veel moeite verheft hij zich uit zijn stoel om een boek te pakken. Ik bied drie keer aan om het voor hem te doen, maar geen sprake van, en de wheeled walker heeft hij ook niet nodig. Ik houd mijn adem in. “Here he is!” zegt hij als de expeditie naar de boekenkast erop zit en hij de juiste pagina van Salute to the War Poets gevonden heeft, “Wilfred Owen! Absoluut de grootste. Iedereen staat hierin, behalve ik.”

Maar daar staat tegenover dat Dearmer dezer dagen Engelands bekendste oorlogsdichter is: zijn foto stond in ondermeer The Times en The Sunday Telegraph, artikelen in nog meer kranten, en hij verscheen uitvoerig in het televisienieuws.

De vraag of hij na een eeuw levenservaring nog een boodschap heeft voor de huidige generatie levert een verrassend specifiek antwoord op: “Zeker. De ontwikkelingen in de dichtkunst staan al jaren stil. De dichters moeten weer op maat en in rijm gaan dichten.”

Zo dus bij voorbeeld:

We halted, with the urgent Spring behind

Our straining teams, where all the land was black,

And huddled woods lay beaten, starkly blind:

Their mangled branches loomed athwart the track

Grotesque and terrible. Yet near the way,

A river, scatheless as the open sea,

Flowed like a breathing hope that cannot die

In desolation. Now, at setting day,

Moored water lilies, pale as argent sky,

Cling to the twilight fading silently.

Dearmer: “De meeste dichters overleven alleen in bloemlezingen, maar daarin overleven ze wel langer dan prozaschrijvers. Als ze iets van je willen plaatsen in een bloemlezing kan je geld vragen, maar hoeveel? Dat weet een dichter nooit. Als je te veel vraagt plaatsen ze het niet. Je hebt liever dat het wel geplaatst wordt en dat je helemaal niets krijgt. Het is een onzeker vak, dichten.”