De kiezers gedragen zich steeds meer als ontevreden klanten; Het socialisme zit nu echt alles tegen

Is het socialisme, is de sociaal-democratie aan het einde van haar Latijn? Die vraag dringt zich na afgelopen zondag weer in alle hevigheid op. In heel West-Europa zitten de socialistische en sociaal-democratische partijen in het slop. En de situatie lijkt alleen maar ernstiger te worden.

Het Franse kiesstelsel mag het effect van de socialistische nederlaag afgelopen zondag weliswaar sterk aanzetten, dramatisch is de uitkomst van de eerste ronde van de parlementsverkiezingen toch gerust te noemen. Meer dan de helft van de kiezers raakte de partij kwijt. Dat veel kiezers komende zondag zullen terugkeren om de rechtse vloedgolf nog enigszins te keren, is - ondanks de oproep van premier Bérégovoy - niet te verwachten. Mitterrand blijft straks als een laatste rudiment van socialistische glorie over.

In Duitsland zitten de sociaal-democraten al meer dan tien jaar in de oppositie, maar uitzicht op een voorspoedige wisseling van de wacht is er niet. Ondanks de feilen van de christen-democratische regering van bondkanselier Kohl, ziet de SPD geen kans zich te ontwikkelen tot een electoraal geloofwaardig alternatief. Bij de enige verkiezingen die dit jaar in de Bondsrepubliek werden gehouden, die van 7 maart voor het locale bestuur in de deelstaat Hessen, verloor de SPD nog meer dan de CDU. De sociaal-democraten gingen met 8,4 procent terug naar 36,4, het laagste resultaat sinds 1948, terwijl de christen-democraten slechts 2,3 procent prijsgaven en op 32 procent uitkwamen. Voor een landelijke oppositiepartij is dat minstens even dramatisch als de uitslag van de Franse verkiezingen. De positie van de huidige leider en beoogd bondskanselier van de SPD, Björn Engholm, is er daardoor niet steviger op geworden.

In april vorig jaar verloor de Britse Labour Party voor de vierde achtereenvolgende keer in dertien jaar de verkiezingen van de Conservatieven. De pogingen van de toenmalige partijleider, Neil Kinnock, om door het uitschakelen van de linker vleugel in de partij het vertrouwen van de kiezers in de partij te herstellen, bleek mislukt. Kinnock moest plaats maken voor de nog gematigder John Smith, die waarschijnlijk nog een jaar of vier zal moeten wachten voor hij de kans krijgt zich electoraal te bewijzen. Tegen die tijd heeft de partij nauwelijks nog politici over die kunnen bogen op regeringservaring.

De Italiaanse socialisten mogen dan nog altijd in de regering zitten, zij hebben hun leider, Bettino Craxi, moeten laten vallen wegens zijn betrokkenheid bij corruptieschandalen. De grote schoonmaak waar de Italiaanse politiek mee begonnen is, zal de socialisten ook niet in de koude kleren gaan zitten.

In Spanje is het afgelopen weekeinde een opiniepeiling gepubliceerd waaruit blijkt dat de uiterst gematigd geworden socialisten van premier Felipe Gonzalez niet maar op verlies staan, maar zelfs gedegradeerd lijken te zullen worden tot de tweede partij van het land. De hoge werkloosheid, de politieke corruptie en een algemeen gevoel van onbehagen tast ook de PSOE ernstig aan.

Zweden liep in deze ontwikkeling voorop. Bij de parlementsverkiezingen in 1991 leden de Zweedse sociaal-democraten, die meer dan een halve eeuw de dienst uitmaakten, een zware nederlaag. Ze zakten terug van van 43 naar 37 procent, terwijl ook de ex-communisten verloren (5,8 naar 4,5 procent). De grote winnaars waren twee partijen die niets moeten hebben van de sociale verzorgingsstaat: de populistische Nieuwe Democratie die 6,8 procent haalde en de christendemocraten. Alleen in Denemarken kwamen de sociaal-democraten begin dit jaar weer op het regeringspluche te zitten, maar dat was niet te danken aan een verkiezingsoverwinning, maar aan onenigheid binnen de zittende centrum-rechtse regering.

De verliezen van Europese socialisten en sociaal-democraten zijn regelmatig in verband gebracht met de voltooiing van de sociale verzorgingsstaat in West-Europa. Naast de traditionele burgerrechten zijn inmiddels ook de sociale grondrechten verankerd in de politieke en sociale cultuur. De sociaal-democratie zou bezig zijn te gronde te gaan aan haar eigen succes, zo heet het. Individualisering en no-nonsense werden de nieuwe slagwoorden. Intussen ontkomen in geen enkel land socialistische en sociaal-democratische partijen eraan de tering naar de nering te zetten. De dure randen van de verzorgingsstaat moeten er, wegens economische tegenslagen, af en daardoor vervreemden deze partijen zich ook nog van hun kern van vaste kiezers. Verlies aan twee kanten derhalve.

Verder wordt erop gewezen dat de ondergang van het communisme ook haar weerslag heeft gehad op de positie van de sociaal-democratie. De twee bewegingen mogen dan al aan het begin van deze eeuw uit elkaar zijn gegaan, ze gaan wel op dezelfde wortel terug. De sympathie die binnen de PvdA lange tijd heeft bestaan voor de DDR was daar een uiting van. Er bestond een Seelenverwandtschaft tussen de twee stromingen. Het primaat van de gemeenschap, in veel gevallen geworden tot het primaat van de staat, kenmerkte het politieke denken. Na de ondergang van het communisme zou aan de gedachte van de maakbaarheid van de samenleving zo'n zware klap zijn toegebracht, dat ook de democratische variant daarvan de gevolgen wel moest ondervinden.

Toch biedt deze uitleg geen volledige verklaring voor de neergang van socialisme en sociaal-democratie. Wat namelijk opvalt is, dat centrum-rechtse partijen lang niet altijd profiteren van het verlies van socialisten en sociaal-democraten. UDF en RPR, die in Frankrijk de macht gaan overnemen, komen weliswaar met een enorme meerderheid in de Nationale Assemblée, maar het percentage stemmen dat de twee binnenhaalden, was maar marginaal groter dan vijf jaar geleden. De aanhang van de PS is als het ware versplinterd en socialistische kiezers zijn voor een deel zelfs terecht gekomen bij het extreem-rechtse Front National, dat bijvoorbeeld in het traditionele socialistische bolwerk in het noordwesten van Frankrijk, sterk vooruitging.

Bij de verkiezingen in de Duitse deelstaat Hessen verloren niet alleen de socialisten, maar ook de christen-democraten. Het waren de Groenen en extreem-rechtse Republikaner die met de winst gingen strijken. In Italië is het een anti-establishmentpartij als de Lega Nord, die het sterkst groeit.

De onvrede zoals die tot uitdrukking komt bij de stembussen in de diverse Westeuropese landen is dan ook niet alleen terug te voeren op uitholling van de sociaal-democratie en socialisme, maar lijkt minstens zo veel te maken te hebben met onvrede over de politiek als zodanig.

De Duitse Groene leider Daniel Cohn-Bendit verklaarde naar aanleiding van de verkiezingsuitslag in Hessen in een vraaggesprek met het weekblad Der Spiegel: “Natuurlijk is de tijd van de grote volkspartijen voorbij, die dank zij meer of minder charismatische persoonlijkheden ook de meest tegengestelde posities konden integreren. Deze onoverdachte, maar traditionele bindingen aan een partij functioneren niet meer. Ik ervaar het als een spannende tijd, omdat de eenvoudige antwoorden naar het voorbeeld van "right or wrong, my party' niet meer functioneren. Maar daarom reageren de kiezers ook een beetje als in een Romeins circus - duimen omhoog of duimen naar beneden.”

Hoe snel het perspectief ook weer veranderen kan, blijkt overigens wel uit de laatste opiniepeilingen in Zweden, waar de sociaal-democraten, die in 1991 zover terugvielen, nu weer op meer dan de helft van de kiezers zouden kunnen rekenen. De sociale verzorgingsstaat mag dan haar grenzen genaderd zijn, ze is voor veel kiezers wel een vanzelfsprekendheid geworden. Als ze door financieel-economische omstandigheden al te drastisch ontmanteld dreigt te worden, dan hebben de kiezers kennelijk behoefte aan een rem op dat proces.

De verkiezingen van de afgelopen tijd hebben duidelijk gemaakt dat de Westeuropese politieke partijen zullen moeten leven met het gegeven dat de traditionele loyaliteit van de kiezers - al dan niet bepaald door een ideologie - niet meer vanzelfsprekend is. Het is al eerder geconstateerd, maar de ontwikkelingen bevestigen het nog eens: Een groot deel van de kiezers identificeert zich kennelijk niet meer met "zijn' politiek of "zijn' staat, maar gedraagt zich als een klant die wegloopt als hij niet goed wordt bediend - zeker als politici de indruk wekken zichzelf belangrijker te vinden dan de samenleving die ze geacht worden te dienen.