Wat van mij is, is niet van jou

Drie kwartier voordat zijn zaak begint, is meneer Verkooyen al aanwezig in de brede bovenhal van het Paleis van Justitie in Den Haag. Hij is een kleine, bebrilde man van middelbare leeftijd die tussen de zitbanken nerveuze rondjes draait. Boos en bitter is hij, als iemand die zich verraden voelt door zijn beste vriend. Het zit hem allemaal zó dwars dat hij spontaan tegen de wachtende journalist begint te praten over zijn beproevingen.

Verkooyen is de gedaagde in een kort geding dat Mia Hemels, zijn levenspartner, tegen hem heeft aangespannen. Sinds 1988 wonen zij samen in een huis waarvan mevrouw Hemels de eigenaresse is. Mevrouw Hemels eist in dit kort geding dat Verkooyen haar huis subiet verlaat. Zij kan zijn aanwezigheid niet langer verdragen. Zij beweert dat zij zich zelfs onder psychiatrische behandeling moest laten stellen omdat de pesterijen van haar vriend haar te veel werden.

Zij drijft een pedicuresalon en is bang dat Verkooyen met zijn gedrag steeds meer klanten van haar zal vervreemden. Hij beantwoordt telefoontjes op de verkeerde manier, en laat opzettelijk de deur van zijn kamer openstaan, zodat de klanten een blik kunnen werpen op de chaos die hij daar heeft aangericht. Ook blijft hij brutaal gebruik maken van de gemeenschappelijke woonkamer, hoewel hij weet dat zij dat allerminst op prijs stelt. Eénmaal moest zij zelfs de hulp van de politie inroepen.

Het zal de lezer niet verbazen dat Verkooyen de klachten van zijn partner categorisch afwijst. “Het is allemaal zo verdomde grof”, sputtert hij tegen de journalist. “Ik heb zó veel voor dat mens gedaan en nu laat ze me gewoon barsten. Ze heeft me niet meer nodig, want ze heeft een vriendje.”

Verkooyen en Hemels leerden elkaar in 1986 kennen. Hij hielp haar het verdriet om de dood van haar man te verwerken. Dat verdriet werd al enigszins gedempt door de royale uitkeringen uit de levensverzekering van haar man: binnen korte tijd was daarvan een kwart verbrast. Toen mevrouw Hemels een huis kocht, moest Verkooyen de hypotheekakte mede ondertekenen, omdat er anders geen financiering mogelijk was.

Verkooyen beweert dat hij de afgelopen jaren voor ruim 60 mille eigenhandig aan het huis heeft opgeknapt. Het huis is hem dierbaar geworden, hij wil er niet zomaar van scheiden. Bij monde van zijn advocaat, mr. P. de Loos, heeft hij een tegeneis ingediend: zijn partner moet hem onbelemmerde doorgang blijven verlenen naar de opslagruimte van zijn fruithandel die zich in de achtertuin bevindt.

De rechter, mr. F. Robbers, luistert een beetje meewarig naar Verkooyen. Deze ontkent dat er spanningen tussen hem en zijn partner zijn. Hij blijft zó graag in dat huis dat hij er wel een leugentje om bestwil voorover heeft.

“U hoort het”, zegt de rechter tegen mevrouw Hemels, “er zijn geen spanningen.”

“Die zijn er wel degelijk”, zegt de eiseres. “Ik blijf alleen zoveel mogelijk uit zijn buurt om verdere ellende te voorkomen.”

“U heeft in november vorig jaar gezegd dat hij in december moest wegwezen?”

“Ja. In september waren we samen in therapie gegaan. Na een aantal consulten wilde hij niet langer. Toen heb ik gezegd: dan ga je maar weg.”

De rechter kijkt Verkooyen aan. “Wat heeft u toen gedaan?”

“Niets.”

“Heeft u zich niet laten inschrijven als woningzoekende?”

“Nee. Mijn redenatie was: laat zij zelf maar iets zoeken. De wachttijd in Wassenaar is negen jaar.”

De verbazing zakt diep in de plooien van het rechterlijke gelaat. “U stelt voor dat zij haar eigen huis uitgaat?”

“Mijn belangen zijn groter dan die van haar”, houdt Verkooyen stug vol. “Die pedicuresalon van haar stelt niets voor.”

“U woont in het huis van een ander. Als de relatie stuk gaat, moet u ergens anders heen.”

“Dat ben ik niet met u eens. Mij is herhaaldelijk toegezegd: wat van mij is, is ook van jou.”

De rechter wordt ongeduldig. “Het gaat hier niet om financiën. Zij wil dat u zo snel mogelijk weggaat.”

“Waar moet ik dan naartoe?”

“U had in december al een kamer kunnen gaan zoeken.”

De wedstrijd lijkt verloren voor Verkooyen. “Zij leefden in semi-huwelijkse staat”, probeert zijn advocaat nog. “Hij heeft wel degelijk geld in dat huis gestoken. Kun je dan nog zeggen: vertrek maar? Dat zie ik niet.”

“Ik heb mijn ziel en zaligheid in dat huis gelegd”, vult Verkooyen aan. “Zij heeft me bedrogen. Terwijl we in therapie waren, nam zij een andere vriend.”

“Ze zegt dat er geen vriend is”, zegt de rechter.

“Via haar agenda ben ik erachter gekomen. Zij is verliefd geworden en ik ben de dupe.”

“Dan is het toch niet vol te houden om onder één dak te leven?”

“Het zal moeilijk zijn.”

“Maar er zijn geen spanningen”, zegt de rechter sarcastisch.

“We zien elkaar weinig. Ze gebruikt haar eigen slaapkamer al drie maanden niet. Ik woon er min of meer alleen.”

Het is niet alleen de kwestie met de vriend die Verkooyen dwarszit. Hij voelt zich ook opzij gezet omdat zijn inkomsten de laatste tijd terugliepen. Voor mevrouw Hemels zou hij om die reden niet langer een interessante levenspartner zijn.

De rechter weet genoeg. “Wat valt er nog over te zeggen? Niks meer. Ik zal de knoop doorhakken. Eerst zal ik alles lezen en dan, over een week, zal ik vonnis wijzen.”

Mevrouw Hemels en meneer Verkooyen hebben al die tijd niet meer dan vijf meter van elkaar afgestaan. Hij probeerde soms, bijna stiekem, vanuit zijn ooghoek naar haar te kijken, uit een soort nieuwsgierigheid, of, wie weet, uit liefde, taaie liefde. Maar zij keek strak en trots voor zich uit, als iemand die voorgoed heeft afgerekend met een lastig verleden.

Buiten, op de gang, zegt Verkooyen: “Het is me wat.”

(Het vonnis, een week later: Verkooyen moet de woning van eiseres binnen twee weken ontruimen; eiseres moet hem tot 1 oktober 1993 toegang verlenen tot zijn opslagruimte in de achtertuin; de kosten van het geding zijn voor rekening van Verkooyen.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.