Tegels

Niet alleen het zwellen van de knoppen aan de bomen, dat wellustig wordt genoemd en als je het zo bekijkt is het dat ook.

En evenmin alleen het zingen van de vogels, door duizend dichters al bezongen, maar nooit genoeg, nooit zo goed dat ze er een eind aan konden maken.

Nee, ook het leven op de stoep, het vlak van tegels, steen met aangevreten randjes.

De jonge regenwormen 's morgens als het vochtig is. Ze rennen niet, ze schreeuwen niet, geen gekheid alsjeblieft, geen wilde avonturen en toch is dit de jeugd, in regenwormenperspectief: de toekomst.

En naakte slakjes, maar weinig groter dan een nagelrand en ongeveer dezelfde kleur. Mensenlief, wat kruipt de tijd.

En een platgetreden salamander. Die zat bij de heg, die rook de sloot, die kreeg een idee en dat idee was oversteken. Het verspreidde zich tot in de toppen van zijn teentjes. Het zette in beweging. Onder een schoenzool, neem ik aan. Of een fietsband. Wat overblijft: te plat voor welk idee dan ook.

Dit alles in het licht van lente.

Er is licht in twee betekenissen, in tegenstelling tot donker, in tegenstelling tot zwaar. De combinatie dus.