Reizende schrijfsters Bzzlletin 203, Reizende ...

Reizende schrijfsters Bzzlletin 203, Reizende schrijfsters. Bzztôh, 80 blz. ƒ12,50

Beleefd razend Hollands Maandblad 1993/3. Veen, 42 blz.ƒ9,25

De tepel in de kunst London Magazine feb/mrt. Picador (Van Ditmar), 160 blz.ƒ26,50

Reizende schrijfsters

“Verhalen over verlichte vrouwen en kamelen, over liefde en liesbreuk, over aanranding en zombies” - het tijdschrift Bzzlletin springt graag in op trends en hausses. Ditmaal met een themanummer over "reizende vrouwen'. Anne Kuiper, die de gastredactie voerde, opent het met een erg schoolopstelachtige "kleine geschiedenis' van de Nederlandse globetrotter-vrouw. Vrouwen reizen om dezelfde redenen als mannen - voor hun werk, uit nieuwsgierigheid, zucht naar avontuur, of uit idealisme. En bovendien, anders dan mannen, omdat ze hun partner volgen die een baan vindt in een ander land. Of ze reizen gewoon als toerist, maar dat is een vies woord voor Kuiper. De andere eigen bijdrage van haar gaat over een clubje beeldhouwers, waar ze zelf deel van uitmaakt, dat in een Italiaans dorpje marmer en travertin gaat bewerken. Dat klinkt leuk, maar pakt uit als niet meer dan een verslag van de genietingen en ruzies die ook knorrige caravanreizigers op campings doormaken. Dit over een andere Nederlander: “Hij heeft eerst tandheelkunde gedaan en doet nu heao, ziet er ook zo uit.”

Hoe veel geïnteresseerder, betrokkener, diepgaander en belangwekkender vertelde bij voorbeeld Aletta Jacobs over haar wereldreis van net na de eeuwwisseling! Eigenlijk zou een hedendaagse Aletta Jacobs haar reis, door Afrika, Azië en Rusland, nu nog eens over moeten doen, en daar een mooi confronterend verhaal bij schrijven.

Er werden vier pioniersters gevonden voor dit themanummer: naast Aletta Jacobs ook Carry van Bruggen (kort over poserende chique in een duur hotel), Marie van Zeggelen, wier "Indische' werk door Conserve trouw wordt heruitgegeven, en Alexandre Tinne, over wie Clara Eggink in 1960 ongeveer voor het laatst iets publiceerde. Tussen de hedendaagse reisschrijfsters ontbreken Lieve Joris, Carolijn Visser en Inez van Dullemen. Wel aanwezig zijn Jacqueline de Gier (over Macedonië - “Hallo groot publiek...ik heb ontzaglijk de schurft aan de Balkan, en vooral aan Griekenland!”), Mariet Lems (poëzie over Ierland), Linda Polman (Haïti) en Aya Zikken uit India. De uitzonderlijk avontuurlijke Arita Baayens liet alles achter om met een paar kamelen in volstrekte eenzaamheid dwars door Arabische woestijnen te gaan trekken. Een tijd geleden waren haar spannende avonturen te volgen via de radio. In Bzzlletin staat te lezen hoeveel moeite het haar alleen al kostte om in Caïro twee goede vrouwtjeskamelen te kopen op de vanzelfsprekend geheel door mannen beheerste markt. Ook Linda Polman, hier tussen zombies, weet de spanning er voortreffelijk in te houden, al is haar stijl soms wat krullerig: “In de aanwakkerende bries tinkelt het gebeente lieflijk tegen een scalp met plukken zwart, vervilt haar”.

Als er uit dit brokje vrouwelijke reisliteratuur al iets afgeleid mag worden, dan is het dat vrouwen meer dan mannen hun eigen emotionele reakties een plaats te gunnen in een reisverhaal - niet echt een verrassende conclusie.

In een nogal knorrig beschouwend artikel stelt Gerrit Jan Zwier dat "de toonaangevende critici' in Nederland niet geïnteresseerd zijn in reisverhalen, omdat ze, voor deze "Revisor-critici', te realistisch geschreven zijn. Al even grote onzin als zijn “Wie bijvoorbeeld één reisboek over China heeft gelezen, heeft ze allemaal gelezen. Iedereen volgt dezelfde zijderoute naar het westen en ontmoet in de herbergen langs de weg dezelfde kleurrijke Oeigoeren”. Was er voor dit nummer nu geen andere essayist(e) te vinden geweest?

Bzzlletin 203, Reizende schrijfsters. Bzztôh, 80 blz. ƒ12,50

Beleefd razend

Het was te verwachten dat redakties van bladen die niet de A-status is toegekend door de beoordelingscommissie van het Literair Produktie- en Vertalingenfonds, en die dus veel minder subsidie krijgen dan die zes A-tijdschriften, op een of andere manier zouden reageren. En lekker venijnig, hoop je dan natuurlijk.

Hollands Maandblad antwoordt als eerste. In een prachtig "Journaal van de halve zelfmoord' likt J.J. Peereboom zijn wonden. “Ik vind dat ik goede gronden zou hebben voor zelfmoord, niet om liefde of geld maar om de eer; en niet om het een of ander, maar om de lange duur.” Het evenwicht tussen de bedaarde en de razende Peereboom, en nog een paar andere verborgen persoonlijkheden in hem, is wreed verstoord in "toonloos juryproza'. Zijn stille, wellevende ik "met de ontwijkende ogen' wint echter ook nu toch weer van “allerlei andere types die ik zou hebben willen verwezenlijken: de onbezorgde atleet, de vrijmoedige minnaar, de sobere moralist, de gewichtsloze fantast, de raconteur, de straatvechter en de alweter - sommige voor een deel verwezenlijkt, andere in het stadium van verlokking gebleven.” Wat zouden we nu dat stukje straatvechter-Peereboom toch graag eens tegengekomen zijn! Hij kreeg tenslotte een klap in zijn hoogsteigen gezicht van de jury: "de medewerkers waren goed genoeg voor subsidie, maar de redactie maakte te weinig van ze'. Peereboom bleef er razend beleefd onder.

Wie zijn in dit nummer van die medewerkers die wel goed genoeg zijn voor subsidie: Jan J.B. Kuipers en Klaas Rozemond als essayisten; de dichters Dana (Hokke) Constandse, Jan Lemmens en Cees Verraak; tekenaar Peter van Hugten; J.A. Blokker, J.W. Paul en Joris Denoo met verhalen. Kuipers spiegelt de Zeeuwse Meirevolutie van '68 met de Franse van 1789 - “Knekels en knoken, dat is al wat van pretenties en druktemakerij overblijft”. Criminoloog Rozemond schreef een dialoog tussen Socrates en Hirsch Ballin. Socrates: “Ik zou nooit met zo'n stelligheid uitspraken durven doen over de oorzaken van de verloedering in de maatschappij.” De verhalen van Blokker en Denoo gaan allebei over overspel. “De achtendertigjarige bibliothecaris Vasco de Haene (kruidnagelbruine haren, geen bril) bleef zijn minnares Annabel Deprez (thuiswerkend) amper zeventien zaadlozingen trouw” van de Vlaamse Denoo versus “Ik kan tegen elk huwelijk op. Pas maar op, jij, vroeg of laat maak ik alles kapot!” in het Amsterdam van Blokker.

Hollands Maandblad 1993/3. Veen, 42 blz.ƒ9,25

De tepel in de kunst

Mooi zo: naast Granta wordt nu ook het tweemaandelijkse tijdschrift London Magazine over Engelse en Nederlandse boekwinkels verspreid. Uitgeverij Picador heeft in elk geval voor 1993 de distributie van het blad ter hand genomen. Verder gaat de bemoeienis niet, de redaktie behoudt haar onafhankelijkheid.

In een artikel over de tepel in de kunst stelt A.D. Harvey dat met de Industriële Revolutie pas de gekleurde tepel zijn intrede deed in de beeldende kunst. Tot dan toe heerste de renaissancistische esthetische traditie van de blanke vaagheid. De explosie van in beginsel technische tekenaars aan het begin van de vorige eeuw bracht realistischer tepels voort - “After that Page Three of the Sun was only a matter of time”.

London Magazine, nadrukkelijk niet uit Oxford of Cambridge, presenteert een gevarieerd aanbod aan Engelse en ook wel Amerikaanse literatuur. Met William Boyd verblijven we onder hitsige, drankzuchtige taalstudenten aan de Franse Rivièra, met Paul Lambah in hoogovens ("Woi day you cum up th' werks, learn a re-ul job?''), en met een weinig overtuigende Parina Stiakaki in een Grieks restaurant in Noord-Europa. Stephen Spender droeg een aantal gedichten bij over Rimbaud ("Heaven-born boy with Hell-fire tongue') en Verlaine.

London Magazine feb/mrt. Picador (Van Ditmar), 160 blz.ƒ26,50