Muziek systeem in waanzin van cabaretier Hans Liberg

Hans Liberg begint vanavond in Amsterdam aan de laatste reeks voorstellingen van zijn compilatie Internationaal, een aanvankelijk alleen voor het Duitse publiek gemaakte keuze uit zijn vier eerdere programma's. Intussen is hij in Duitsland vrijwel even bekend als in Nederland: “Maar voor veel mensen ben ik nog steeds een groot geheim.”

Hans Liberg Internationaal, Nieuwe de la Mar-theater, Amsterdam, 23 t/m 27/3.

Boven de vleugel in zijn tuinhuis, een met blank hout betimmerd optrekje achter zijn Utrechtse woning, hangt een kleine stormlamp. Aan de muur prijken diverse tokkelinstrumenten en op het hammond-orgel staat de muziek van Jesus, joy of men's desire. Hans Liberg haalt een koffer tevoorschijn waarin zich het instrument bevindt dat zojuist uit Engeland is gearriveerd: een in kronkels gebogen blaasinstrument dat in de muziekliteratuur bekend staat als serpent. Het kan, als hij er bijtijds op leert spelen, een rol spelen in zijn volgende voorstelling. Evenals het verhaal dat hij kortgeleden van een musicoloog hoorde over de manier waarop de islam zich via Noord-Afrika een weg baande in de flamenco en de rest van de Europese muziek (“olé komt van allah, wist jij dat?”) en een studieboek van Bartók over de Hongaarse volksmuziek.

De voorstellingen van Hans Liberg, gespecialiseerd in cabaretesk variété op muzikale grondslag, beginnen altijd met muziek. “Ik zit nu alweer dagenlang kinderliedjes te spelen, want uit het boek van Bartók blijkt dat die melodietjes in een groot aantal landen bekend zijn. Op een keer komt daar voor het volgende programma wel wat uit. Uiteindelijk wordt het meestal één grote collage, waarin je nauwelijks meer iets herkent van alles wat ik er ooit in heb verwerkt, maar die muziekgeschiedenis vormt wel de basis. Alleen de eenheid van plaats, tijd en handeling raakt volstrekt verloren. Ik neem de vrijheid om Bach in een laat-negentiende-eeuws huis te laten wonen, om bij het negende pianoconcert van Beethoven te laten zien dat dat nu op de pincode van de Rabobank blijkt te passen, en om Bartók in verband te brengen met meneer Bata - alletwee rijk geworden. In feite zijn mijn verhalen in muzikaal opzicht heel logisch, want ik gebruik overgangen die in de muziek heel gebruikelijk zijn, maar men is dat met tekst niet gewend. En de Nederlanders zijn a priori niet heel muzikaal. In Duitsland wordt veel meer dan hier op de muziek gelet.”

Alles heeft bij Hans Liberg (39) met alles te maken - en misschien zelfs dat niet. Zijn optreden, geïnspireerd door Victor Borge en Toon Hermans en sindsdien gevoed door duizenden anderen, is een cultuurhistorische grabbelton, waarin hij schijnbaar moeiteloos van Beethoven overstapt naar Thelonious Monk en John Lennon, met een omweg via de Muppets en een verwijzing naar Magritte of Mondriaan. Ter verklaring citeert hij Reve die Hamlet citeerde: “Waanzin is niet zo erg, als er maar een systeem in zit.” Het systeem wortelt in zijn muziekstudie, gecombineerd met een voorliefde voor nonsenspoëzie: “Ik heb ooit een scriptie geschreven over scat vocals, die had ik helemaal fonetisch uitgeschreven. Ik weet dat het grote publiek daar niet zo gevoelig voor is en er ook maar weinig van herkent, maar voor mij is die wetenschappelijke bron van het grootste belang.”

Na vier succesprogramma's besloot Hans Liberg vorig jaar te pogen vaste voet aan Duitse grond te krijgen, hetgeen lukte na maandenlange series in het cabaret-circuit en veel taalkundig vallen en opstaan. “Ik heb het heel lang over de Magd Maria gehad, voordat ik wist dat ik Jungfrau had moeten zeggen. Ook ben ik erachter gekomen dat ik Willeke Alberti niet straffeloos kon vertalen in Conny Froboess, want zij is daar nu een zeer gerespecteerd actrice en haar naam heeft dus niet dezelfde lading als bij ons Willeke Alberti. Het is maar goed dat Linda de Mol ook dáár nu een grote ster is, haar naam kan ik dus blijven noemen. Verder zijn er niet zoveel verschillen tussen een programma in het Duits en in het Nederland.”

Sinds een groot Duits impresariaat zich over hem ontfermde, is het er verder bergopwaarts gegaan. Hij trad onder meer op in de Philharmonie-zalen in Keulen en Berlijn en in de Tonhalle in Düsseldorf: “Prestigieuze concertzalen waar 2700 man zit. Haitink, Azkenazy en Liberg. Geen theaterbelichting, maar een soort concertant cabaret.” Hij stelde voor de Duitse markt een programma samen met hoogtepunten uit zijn vier Nederlandse voorstellingen. “Een Nederlandse schouwburgdirecteur zag dat en zei: dat moet je in Nederland óók komen spelen. Daar is een kleine tournee uit ontstaan, die ik zaterdag afsluit. Hierna ga ik aan de nieuwe voorstelling werken.”

Maar hoewel hij over bijval niet te klagen heeft, geldt Liberg in brede kring nog altijd niet als een werkelijk bekende Nederlander. “Ik behoor niet tot de grote gezellige VARA-familie met elke avond zendtijd”, zegt hij. “Dat wil ik ook niet. Ik verschijn zelden op de televisie. Wat dat betreft ben ik voor veel mensen nog steeds een groot geheim. Ik kom dan ook uit een hele andere hoek. Ooit, in 1981, ben ik begonnen als een jongen die in een wit matrozenpak minimal music zat te spelen, onderwijl aan het publiek uitleggend hoe je daarop moest dansen. Dat was helemaal niet te begrijpen. Nu ben ik weliswaar begrijpbaar geworden, maar ik maak geen knieval naar het grote publiek. Niet iedereen hoeft alles te begrijpen, als het maar niet te marginaal wordt. Als ik opmerk dat iemand abstracte figuratie schilderde, vind ik dat zelf een leuke grap, maar er zijn maar twee mensen die lachen. En dat is te weinig - als het er nou nog drie waren...”