Miljardenmist

De politieke partijen zijn dezer dagen druk met het opstellen van hun programma voor de Kamerverkiezingen in 1994.

Zij zijn daarbij ernstig gehandicapt door recente vooruitberekeningen van het Centraal Planbureau, die slechts één conclusie toelaten: er is in de komende kabinetsperiode geen enkele budgettaire ruimte voor nieuw beleid, tenzij een stijging van het belasting- en premiepeil of een weer oplopen van het financieringstekort aanvaardbaar worden geacht. Hogere heffingen zijn uit den boze. Alom wordt juist gepleit voor lagere belastingen. Een meerderheid in de Tweede Kamer wenst de druk van de vermogensbelasting te beperken. Ook wint de overtuiging veld dat de torenhoge lastendruk op het arbeidsinkomen banen kost, vooral op de begane grond van het loongebouw.

Niet alleen de fiscale nooduitgang is geblokkeerd, ook een soepele benadering van het tekort biedt geen uitweg. Jaarlijks groeit de staatsschuld (nu 375 miljard gulden) met het bedrag van het financieringstekort. Nu al drukken de oplopende rentelasten andere uitgavenposten van de rijksbegroting en beperken zij de ruimte voor lastenverlichting. Het tekort moet daarom verder omlaag, mede omdat Nederland anders tot in lengte van dagen niet kan voldoen aan de norm voor de overheidsschuld die is vastgelegd in het Verdrag van Maastricht.

Kunnen belastingen of het tekort niet omhoog, dan moet - gegeven de verwachte bescheiden groei van het nationaal inkomen - het mes, opnieuw, in de uitgaven. Indien politieke partijen eerlijk zijn tegenover de kiezer, dan zullen hun nu in de maak zijnde programma's straks gedetailleerd moeten aangeven hoe men denkt in de periode 1994-1998 per saldo voor zo'n vijf tot vijftien miljard gulden op de collectieve uitgaven te kunnen ombuigen.

Alle partijen wensen de overheidsinvesteringen te ontzien. De rente op de staatsschuld ligt vast, afgezien van bescheiden voordelen door vervroegde aflossing. De overheid kan niet nog eens tien jaren lang het eigen personeel ten opzichte van werkenden in de marktsector op toenemende salarisachterstand zetten. Tenzij ambtenaren massaal met wachtgeld worden gestuurd, moet het benodigde bedrag dus worden gevonden in de sfeer van de inkomensoverdrachten. Lees: bij de sociale uitkeringen en subsidies. Daarover bestaat in politiek Den Haag een papieren consensus.

Natuurlijk hopen alle partijen op een sterke groei van de werkgelegenheid, zodat bezuinigingen op de sociale zekerheid voor een deel automatisch worden bereikt door een daling van het aantal werklozen. Die hoop lijkt ijdel, doordat de conjunctuur ook bij de start van het nieuwe kabinet nog tegenzit. Nederland moet het hebben van een onbelemmerd herstel van de wereldeconomie. Het economisch herstel kan tegen het midden van de jaren negentig ernstig worden bedreigd door toenemend protectionisme in de wereld.

Het aantal uitkeringsontvangers of de hoogte van de gemiddelde uitkering moet dus door directe ingrepen worden beperkt. Anders dan minister Kok onlangs suggereerde, is het niet moeilijk om in de sfeer van de overdrachten omvangrijke besparingen te realiseren. Door de sociale uitkeringen jaarlijks twee procent te laten achterblijven bij de CAO-lonen loopt de bezuiniging binnen één kabinetsperiode bij voorbeeld op tot meer dan acht miljard gulden. Daar komt nog een miljard bij wanneer de kinderbijslag voor het derde en volgende kind zou vervallen. Technisch gesproken zijn dit aantrekkelijke maatregelen. Door slechts enkele regels wettekst aan te passen wordt de beoogde opbrengst volautmatisch gerealiseerd. Vergelijk dat eens met het moeizame modderworstelen bij de herziening van de WAO, waarvan de al ingeboekte bijdrage aan de sanering van de collectieve financiën nog staat te bezien.

Voor de politieke partijen heeft dit scenario een duidelijk nadeel. De portee van zulke technisch eenvoudige ingrepen is voor de kiezers al te duidelijk. Verlaging van de uitkeringen stuit bij wie daarop zijn aangewezen begrijpelijk op verzet. Nederland telt vier miljoen uitkeringsontvangers. Huisgenoten meegerekend omvat het niet-actieve blok ruim vier miljoen stemmen. Geen partij kan het zich permitteren deze omvangrijke groep kiezers te grote duidelijkheid over toekomstige inkomensverliezen te verschaffen.

Daarom werken politieke partijen achter de schermen thans met man en macht aan formuleringen die straks een miljardenmist uit de programma's doen opstijgen.