Krekkels en Windbuul'en voor fusie aan één tafel; "Hengeloërs voelen zich beter en meer dan de Enschedeërs'

Enschede moet het economisch hart van het oosten worden. Het wil daarvoor zelfs fuseren met het verderop gelegen Hengelo. Daarvoor moeten niet alleen procedurele, maar ook culturele barricades worden geslecht. Een historische "strijd' die dateert van rond de eeuwwisseling.

ENSCHEDE, 23 MAART. “Het is het eindpunt van de trein/bijna geen mens hoeft er te zijn/bijna geen hond gaat zover mee: Enschede”, bezong Willem Wilmink ooit zijn geboortestad. In de "textielstad' ziet men de dichter wel graag, maar het door hem geschetste beeld liever niet. Enschede moet het economisch hart van het oosten worden. Het wil daarvoor zelfs fuseren met het op een steenworp verderop gelegen Hengelo.

De samenwerking lijkt voor de hand te liggen, maar tussen beide oostelijke steden heeft het nooit echt geboterd. De textielstad Enschede (148.000 inwoners) en de metaalstad Hengelo (76.000 inwoners) groeien al sinds mensenheugenis "met de ruggen naar elkaar gekeerd'. Er moeten voor de beoogde fusie niet alleen procedurele, maar ook culturele barricades geslecht worden. Enschedeërs zijn namelijk de Belgen van Twente, vinden ze in Hengelo. En Hengeloërs hebben het hoog in hun bol, het zijn opscheppers, zeggen ze in Enschede. Tukker voelen de inwoners van beide steden zich allemaal, maar zeg nooit tegen een Hengeloër dat hij Enschedeër is, of omgekeerd. “Krekkels heten die van Enschede”, zegt P. Hamer, lid van de historische vereniging Oald Hengel, “omdat ze net als krekels in die warme fabrieken kropen en er niet meer uit te krijgen waren.” "Hengeler wind', dat is een staande uitdrukking in Enschede, riposteert L. Nijkamp, lid van Historische Societeit Enschede-Lonneker, “Hengeloërs heten hier Windbuul'en.”

Windbuilen tegen Krekels dus. Een historische "strijd' tussen Enschede en Hengelo die dateert van rond de eeuwwisseling. In Enschede stampten toen textielbaronnen als Van Heek en Blijdenstein hun enorme spinnerijen en fabrieken uit de grond, die zij bevolkten met vele duizenden arbeiders, die van het platteland naar het daardoor snel groeiende Enschede trokken. “Maar om achter het weefgetouw te staan hoefde je geen opleiding te hebben”, zegt Hamer van de Hengelose historische vereniging, "Enschedeërs waren dus wat dommer, vond men in Hengelo.' Daar immers ontstond in dezelfde tijd een bloeiende metaalindustrie (Stork, Hazemeijer, het latere Hollandse Signaal). Arbeiders voor deze sector moesten beter opgeleid zijn. Ze moesten een werktekening kunnen lezen, een machine bedienen. De metaalbedrijven hadden eigen bedrijfsscholen en de Hengelose metaalwerkgevers stopten vele jaren eerder dan de Enschedese textielbaronnen geld in de volksopvoeding (bibliotheken, het verenigingsleven). “En dus voelden die Hengeloës zich beter en meer dan de simpele textielarbeiders”, zegt Nijkamp uit Enschede. “En nog steeds gaan Hengeloërs in hun goeie pak naar hun werk en trekken daar de overall aan. Ze hebben een koffertje bij zich en het lijkt heel wat: maar daar zit alleen een pakje brood in. Enschedeërs gaan gewoon in hun werkplunje van huis met een broodtrommel achterop de fiets.”

De verschillen tussen beide steden tekenden zich ook politiek af. Enschede gold tot voor kort als een rood bolwerk waar de socialisten het voor het zeggen hadden (het heeft ook nu nog een PvdA-burgemeester), in Hengelo waren de meningen wat gematigder en hadden ook de confessionelen een belangrijke stem (het heeft een CDA-burgemeester). Alhoewel de Enschedese textielindustrie in deze helft van de eeuw uiteindelijk bijna totaal het loodje legde en ook de metaal in Hengelo al lang niet meer zijn meest florissante periode doormaakt, zijn de culturele verschillen tussen beide steden wel blijven bestaan. Volgens Hamer kun je zelfs nu nog aan de kleding zien wie uit Hengelo komen: die zijn iets chiquer.

Toch hebben de "chique inwoners' van de metaalstad juist de laatste tientallen jaren moeten toekijken hoe de textielstad Enschede enorme groeistuipen kreeg en het ene na het andere prestigieuze project binnenhaalde: een universiteit, een hogeschool, een nieuw muziekcentrum, een kunstijsbaan, een nationale Reisopera, een casino. Zelfs het Enschedese dagblad Tubantia maakt zich nu op om de kleine Hengelose Twentsche Courant te verschalken (beide zijn binnen het Wegener-concern terecht gekomen). De kranten vechten een strijd die eigenlijk model staat voor de aanstaande samenvoeging tussen Enschede en Hengelo. Net zoals de Twentsche Courant vreest dat de omarming van Tubantia uiteindelijk een wurggreep blijkt, vreest Hengelo dat de vorming van de Dubbelstad slechts ter meerdere eer en glorie van Enschede zal blijken te zijn. Het "Calimero-effect' noemt een Hengelose gemeentevoorlichter het.

Dat het onderwerp nog steeds leeft bewijst het politieke rumoer in de beide steden nu het voorstel voor de fusie onder strikte geheimhouding door burgemeesters en wethouders besproken wordt. Nadat de afgelopen jaren veel eendracht getoond werd, doet het nakende definitieve fusiebesluit oude emoties oplaaien. Het Hengelose CDA-raadslid H. Lubberding zorgde volgens eigen zeggen voor "gedonder' door publiekelijk de expansiedrift van Enschede aan de kaak te stellen. Hij heeft inmiddels door zijn fractie een spreekverbond opgelegd gekregen en wil nog slechts kwijt dat een fusie "voor beide steden een meerwaarde moet opleveren' en anders voor hem niet hoeft. En hij heeft voor die stelling "veel bijval' gekregen, mompelt hij nog. Sceptici in de beoogde dubbelstad hebben het met een blik naar Marten Toonders Bommelstrip inmiddels al over "Dubbeldam': ook een fictief gegeven. Positief gestemd blijft echter O. Nieman, de speciaal aangestelde ambtelijk coördinator voor de vorming van de dubbelstad. “Dat er hier geruzied wordt, dat is juist een positief teken. Dat betekent dat het tenminste ergens over gaat. Het is net als in een huwelijk. Als je nergens ruzie over maakt, kom je niet uit de problemen.”