Krauts!

Wat een stuitend nummer, de laatste aflevering van het Engelse literaire kwartaalblad Granta.

Krauts! heet het. Moffen! Als je de titel ziet denk je dat er wel een dubbele bodem zal zijn, en dat het tijdschrift eigenlijk niet over Duitsers zal gaan, maar over de manier waarop Engelsen naar Duitsland kijken. Maar niets daarvan. Tot je verbazing merk je dat het echt om schaamteloze haat gaat tegen Duitsland en de Duitsers. Op de achterflap staat: “Wat is er met het Duitse volk dat er een natie is ontstaan, zo... wat precies? Zo lelijk. Zo gevaarlijk. Zo voorspelbaar. In de uitvoerigste onderzoeking van zijn soort, probeert dit speciale nummer van Granta het onaangename antwoord te vinden op deze simpele vraag: wat is het nieuwe Duitsland?” Merk op dat het nooit goed is. De Duitsers deugen blijkbaar niet omdat ze voorspelbaar zijn. Als ze onvoorspelbaar zouden zijn, zouden ze er ook van langs krijgen. Deze flaptekst klinkt als de komisch- plechtige achtergrondstem bij een Monty Python-documentaire. Toch is alles eerlijk gemeend, en ook is de onwetendheid niet geveinsd die spreekt uit de vraag: “Wie had er negen maanden geleden van Rostock gehoord?” Rostock, de stad waar een tehuis voor buitenlanders door stenengooiers en brandstichters werd belegerd. Oude Hanzestad. Ongeveer zoveel inwoners als Utrecht. Wie had er ooit van Utrecht gehoord, voordat de hoofdcommissaris van die stad bepleitte (“ik begrijp niet waarom we wel psychisch mogen martelen maar niet fysiek”) om gevangenen stokslagen te geven? De Amerikaanse hoofdredacteur van Granta, Bill Buford, vast niet. Misschien had hij negen maanden geleden nog nooit van Duitsland gehoord. Het land wordt in dit nummer bekeken als een exotisch griezelkabinet. Tussen het tuig heette Bufords populaire boek over voetbalfans. Die titel had hij ook voor dit nummer over Duitsland kunnen gebruiken.

Het ligt niet aan de individuele bijdragen. Vaak zijn ze lezenswaardig. Sommige noden tot tegenspraak, zoals de redevoering van Günter Grass die in het blad is afgedrukt. Hij is geschokt door de gewelddadigheden in Duitsland tegen buitenlanders. Hij neemt het zware woord "Auschwitz' in de mond en hij zegt dat de tijd voor waarschuwingen allang voorbij is. Zijn redevoering is vooral bedoeld als een afrekening met de critici die hem hadden verweten dat hij de wens tot vereniging van de twee Duitslanden had bestreden met verwijzingen naar Auschwitz. Zien die critici nu wat er van gekomen is? Xenofobie en geweld. Tegen de aanhangers van de vereniging gebruikt Grass het grofste geschut. Vereniging onder leiding van een dikke masseur, hoont hij. In dit nummer van Granta zijn Duitsers vaak dik. Grass heeft het over verenigingsdronken critici die gek zijn en stompzinnig.

Waren die aanhangers van de eenheid echt zo dom? In de Bondsrepubliek was het streven naar hereniging sinds de oorlog de officiële politiek van alle grote partijen. Bij de eerste vrije verkiezingen in de DDR won de partij die zich voor snelle aansluiting bij West-Duitsland had uitgesproken overtuigend. Wat had men anders moeten doen? Stel dat het gegaan was zoals Grass wilde. Een confederatie van twee onafhankelijke staten, met het doel om mischien ooit in de verre toekomst tot een eenheidsstaat te komen. Met alle zakelijke en menselijke contacten die dan zouden ontstaan, als de grenzen open waren. Heel gauw zou aan beide kanten een koor klinken van stemmen die zouden vragen: “Waar wachten we eigenlijk op? Tot Günter Grass zich er mee verzoend heeft? Dan wachten we te lang.” Het plan dat Grass met de Duitslanden had, lijkt me niet erg praktisch. Dat kan ook gezegd worden van zijn oproep om "een half miljoen en meer' zigeuners naar Duitsland te halen. Hij wil dat, omdat de Duitsers door het contact met de vrije nomaden aardiger en cosmopolitischer zouden worden. Het motief lijkt me een uiting van dezelfde ingekeerdheid die het Duitse volk in dit nummer vaak verweten wordt. En ook is het een teken dat Grass zijn eigen retoriek over de bijzondere slechtheid van de Duitsers in verleden, heden en toekomst niet erg gelooft. Als hij meende wat hij zei, zou hij de zigeuners toeroepen: blijf weg uit dit verdoemde land, als je leven je lief is.

Maar zoals ik zei, de afstotelijkheid van deze Granta zit hem niet in de afzonderlijke bijdragen. Vele zijn door Duitsers geschreven. Natuurlijk hoeven die niet steeds, als ze een Duitse misstand signaleren, erbij te zeggen dat ze weten dat het elders ook niet ideaal is. Zoals Nederlanders in zulke gevallen vaak doen: “Natuurlijk is het bij ons een paradijsje vergeleken bij het slechte buitenland, maar dat neemt niet weg...”

Maar als al die stukken bij elkaar worden gezet in een Engels blad, om te laten zien hoe slecht, gevaarlijk en lelijk de Duitsers zijn, wordt het anders. Heinrich Böll hoort in 1949 een Duitser vervelend opscheppen. Klaus Schlesinger herinnert zich dat in 1975 in een klein plaatsje in de DDR een hippie door een dronkelap voor jood werd uitgemaakt. Martha Gellhorn legt uit waarom ze nooit meer Duitsland zal bezoeken. De Japanner Haruki Murakami ziet een Japans huwelijk eindigen vanwege walging om een Duitse leren broek. Een fotoreportage toont de treurigheid van de Oostduitse fabrieksstad Halle. Iedere reiziger naar de voormalige DDR komt terug met verhalen over het bliksemtempo van het bouwprogramma. Over tien jaar zal Granta een nieuwe fotoreportage over Halle afdrukken, dan over de "lelijke, gevaarlijke, voorspelbare' vlijt van de Duitsers.

Het bespottelijkst is een fotoserie onder de kop "Liefde in Duitsland'. Dwergen, dikzakken, bodybuilders en mensen van wie het woninginterieur een wat burgerlijke aanblik biedt vertellen bij de plaatjes het een en ander over hun partnerkeuze. De bedoeling moet zijn dat iedere lezer huivert bij de afschuwelijke gedachte aan Duitsers die de liefde bedrijven. Het redactionele bijschrift zegt: “Allerlei generalisaties zijn er gemaakt over het Duitse "karakter'. Maar wat voor generalisaties kunnen we maken over verliefde Duitsers?” Weer denken we Monty Python te horen, maar het is de plechtstatigheid van de nep-intellectueel. In deze krant is Granta eens het meest gezaghebbende literaire blad genoemd. Sterk overdreven. Gezien dit nummer lijkt die hoofdredacteur Bill Buford me een baviaan die af en toe een paar koningspages in zijn netten vangt om indruk te maken op een publiek van ezels.