"High tech' is de nieuwe strategie

De jongste editie van het Indonesische weekblad Warta Ekonomi spreekt boekdelen. De cover-story is gewijd aan het vorige week aangetreden nieuwe kabinet, maar de opening is minder feestelijk: een verhaal over de onrustbarende inflatie. Alsof de redactie de kersverse ministers wil toevoegen: werk aan de winkel.

Die inflatie is in zekere zin de prijs van het succes van Indonesië. In de jaren tachtig besloot de regering 's lands eenzijdige afhankelijkheid van olie- en gasexporten te verminderen met een reeks dereguleringsmaatregelen. Een aantal handelsbelemmeringen werd opgeheven en buitenlandse investeerders kregen toegang tot meer sectoren. De kapitaalmarkt werd geliberaliseerd, want voor het industrialiseringsprogramma was dringend geld nodig van bankiers en beleggers uit binnen- en buitenland.

De gevolgen bleven niet uit. De export van industriële produkten is sedert 1986 in waarde verdrievoudigd en overtreft inmiddels de uitvoer van zowel gas en olie als landbouwprodukten. Bovendien haalde de Indonesische economie de laatste vier jaar groeicijfers van 6 à 7 procent. Het aantal particuliere banken nam ontstuimig toe (in twee jaar werd het bijna verdrievoudigd); hun torenhoge kantoorflats hebben de skyline van Jakarta onherkenbaar veranderd.

De nieuwe investeringswoede en het overvloedige krediet zadelden de economie echter op met betalingsbalansproblemen, inflatie en devaluatiedreiging. De regering besloot in 1991 de economische motor af te koelen met een strak monetair beleid, dat enigszins ten koste ging van de groei. De inflatie bleef binnen de perken - een daling van 9,5 procent in 1991 tot 4,9 procent vorig jaar - maar de rentestand steeg schrikbarend. De rente bereikte begin vorig jaar de recordhoogte van 30 procent, waardoor de vraag naar luxe consumptieartikelen drastisch daalde en de binnenlandse investeringen fors terugliepen.

In de tweede helft van 1992 werd een zeker evenwicht bereikt: de recordgroei van de export (met name textiel en schoenen) ontlastte de lopende rekening, die onder druk stond van de snel gestegen import van investeringsgoederen, de kredietteugels werden enigszins gevierd en de rentetarieven daalden tot 22 procent. Maar nu doemt opnieuw een donkere wolk op: in de eerste twee maanden van dit jaar beliep de inflatie al 4,9 procent, evenveel als in het hele jaar 1992.

De economen putten zich uit in verklaringen voor deze nieuwe tegenvaller. Dr. Sjahrir wijst op een aantal korte termijn-effecten, zoals de recente drastische verhoging van de binnenlandse energieprijzen. Die werkt kostenverhogend, maar vermindering van subsidies maakt nu eenmaal deel uit van het liberaliseringspakket. Eind maart viert islamitisch Indonesië Lebaran, het einde van de vasten, en dat gaat traditiegetrouw gepaard met massale aankopen en prijsstijgingen. Dat de verhoging van de energieprijzen voorafging aan Lebaran versterkt dit jaar het vertrouwde anticipatie-effect. Tenslotte is het eiland Java rond de jaarwisseling getroffen door zware overstromingen, waardoor de aanvoerlijnen van eerste levensbehoeften enige tijd waren gestremd.

Drs. Kwik Kian Gie legt de vinger op meer structurele problemen van de Indonesische economie, zoals de monopolistische praktijken van de "conglomeraten', vaak door ethnische Chinezen gedreven super-concerns, die zich in een groot aantal bedrijfstakken bewegen. Deze bijna-monopolies zouden een sterk kostenverhogend effect hebben op de economie.

De econoom bekritiseert het exclusieve vertrouwen van het vorige kabinet in monetaire instrumenten en betreurt de geringe aandacht voor structurele problemen in de reële economie. “Een sterk exportland”, aldus Kwik, “heeft een sterke munt, maar de rupiah blijft depreciëren ten opzichte van de dollar. Dat bevordert weliswaar de uitvoer, maar ook de inflatie. Pak je die louter aan met krap-geldpolitiek, zonder de economie verder te liberaliseren, dan dreigt stagflatie: de hoge rente blijft inflatoire druk uitoefenen en de groei stokt.” Tenslotte betwijfelt hij of een exportstrategie die berust op lage lonen en assemblage van buitenlandse merkartikelen, zoals textiel en schoenen, een langdurig succes beschoren is.

Veel zal afhangen van het nieuwe kabinet. Het economische team is geheel vernieuwd en heeft zich twee prioriteiten gesteld: een verdere versterking van de uitvoer buiten de olie- en gassector en opwaardering van het exportpakket door beter onderwijs en technologische versterking van de industrie. Deze dubbelstrategie blijkt uit de samenstelling van het team. De ministers van handel en industrie krijgen een coördinator boven zich, ir. Hartarto, en op een aantal sleutelposten zijn economen vervangen door ingenieurs. Uit die benoemingen blijkt de grote invloed van minister van onderzoek en technologie, B.J. Habibie, die meer belang hecht aan de ontwikkeling van, desnoods beschermde, high tech-industrie dan aan liberalisering. Anderzijds wijst de benoeming van de alom gewaardeerde "liberaal' Hartarto niet op meer protectie.