De redding van Rusland...en de rede van Chicago

RUSLAND BUNGELT boven de afgrond van de chaos. Het Westen maakt zich snel toenemende zorgen en onderzoekt mogelijkheden om de hulp ter ondersteuning van de hervormingen die president Jeltsin in gang heeft gezet, te vergroten.

Het is de paradox in de internationale betrekkingen na het einde van de Koude Oorlog: het Westen wil de markteconomie in het voormalige moederland van het staatscommunisme bevorderen, maar de politieke instabiliteit aan de ontvangende kant sluit kans op succes uit. Bevreesd voor de onvoorspelbare geo-politieke gevolgen die de val van Jeltsin kan hebben, sluiten de leiders van de Westerse landen hun ogen voor de Russische desintegratie die de hervormingen blokkeren, en overwegen ze miljardensteun in de hoop dat nieuwe toezeggingen voldoende zijn om Jeltsin in het zadel te houden.

De Groep van zeven machtigste industrielanden, die het hulpinitiatief naar zich heeft toegetrokken, is een verzameling ontredderde politieke leiders in eigen land: de Franse president heeft zojuist de nederlaag van zijn partij in de parlementsverkiezingen ondergaan, de Canadese premier heeft zijn vervroegde vertrek aangekondigd, de Italiaanse premier is verstrikt in de corruptieschandalen van zijn kabinet, de Britse premier heeft zijn eigen partij niet in de hand, de Duitse bondskanselier gaat gebukt onder de last van de eenwording. Japan, dit jaar voorzitter van de G-7, heeft met betrekking tot de voormalige Sovjet-Unie nog geen initiatief getoond omdat het eerst vier winderige eilandjes terugeist. De Verenigde Staten hebben een nieuwe president, zonder uitgewerkte internationale visie, financieel met handen en voeten gebonden door de tekorten waarmee zijn voorgangers hem hebben opgezadeld. De G-7, kortom, heeft zijn mond vol van internationaal leiderschap, maar het is vooral een mond zonder tanden.

INTUSSEN OVERLEGT de G-7 in Londen en Hongkong, en binnenkort in Vancouver en Tokio over de toestand in Rusland. Plannen circuleren voor hulp ter waarde van dertig, wellicht veertig miljard dollar. Een aanzienlijk deel hiervan zal bestemd zijn om Rusland uitstel van betaling te verlenen over de buitenlandse schuld van de ex-Sovjet-Unie van tachtig miljard dollar waarover ook nu al geen rente of aflossingen worden betaald. Rusland zelf heeft met spoed om geld van de G-7 gevraagd, twintig miljard dollar voor de hervormingen, voor een sociaal vangnet en voor stabilisatie van de roebel. Dat zijn fraaie doelstellingen, maar de vraag blijft of het mogelijk is om resultaten te verwachten in een land dat bezig is uit elkaar te vallen, waar een machtsvacuüm bestaat dat kan leiden tot nog meer politieke strijd of tot een burgeroorlog.

Vorig jaar kwam de G-7 met de toezegging van 24 miljard dollar hulp voor Rusland, een combinatie van handelskredieten, een fonds ter ondersteuning van de roebel, geld van het Internationale Monetaire Fonds en van de Wereldbank. Het bleek een vrijblijvende toezegging, want Rusland kon het beschikbare geld helemaal niet absorberen. De handelskredieten bleven grotendeels ongebruikt, het plan voor stabilisatie van de roebel verdween van tafel toen Rusland afgleed naar een hyperinflatie van 2.500 procent per jaar. Het aanpassingsprogramma van het IMF is opgeschort en slechts de Wereldbank investeert in concrete projecten.

FINANCIËLE HULP heeft zin als een land organisatorisch in staat is de beoogde hervormingen uit te voeren. Westerse bereidheid om financieel bij te springen is onontbeerlijk, maar valt pas in goede aarde als uitzicht bestaat op een minimum aan politieke stabiliteit en eensgezindheid over het economische beleid. Zolang dat niet het geval is, is grootschalige financiële hulp weggegooid geld. Het Westen kan zijn steun beter beschikbaar houden voor noodhulp, zich concentreren op Oost-Europa en republieken die het hervormingspad zijn ingeslagen. Wat Rusland betreft blijft het wachten op de implosie.

...en de rede van Chicago

WARREN M. CHRISTOPHER, Amerika's minister van buitenlandse zaken, heeft gisteren in Chicago een nogal wilde gooi gedaan naar een plaats in de geschiedenis. In een opmerkelijke toespraak schetste hij Jeltsins kwade kansen, de mogelijkheid van een Tweede Koude Oorlog mocht de Russische president het onderspit delven en de noodzaak om met een forse greep in de beurzen der rijke landen dit noodlot af te wenden. De minister die tot gisteren zijn reputatie van terzake kundig maar ietwat bleke diplomaat bepaald geen geweld had aangedaan, scheen zich onverwachts te willen ontpoppen als een staatsman met gedurfde en tot de verbeelding sprekende ideeën. De naam van Marshall, de illustere voorganger die het verwoeste en armlastige Europa weer op de been hielp, komt in gedachten. Maar ook die van Churchill toen deze zijn Amerikaanse gastheren op het IJzeren Gordijn door datzelfde Europa attendeerde.

De rede valt des te meer op omdat Christopher tot dusver de problemen in de wereld en de veroorzakers ervan op kousevoeten had benaderd. De bewindsman was de taak toegeschreven een onervaren president met een volle binnenlandse agenda zonder kleerscheuren door het ruige berglandschap van de internationale politiek te loodsen. De opdracht viel bij nader inzien mee omdat voorganger Bush gedurende de verkiezingscampagne nieuwe internationale verplichtingen zoveel mogelijk uit de weg was gegaan. Amerika's jongste manoeuvres met betrekking tot de crises in Joegoslavië en Haïti waren tekenend voor de omzichtigheid waarmee het Clinton-team afstand schiep tot zijn verbale overmoed uit het campagnejaar.

CHRISTOPHERS plotselinge gedaantewisseling rechtvaardigt een terughoudende reactie. Een reserve waarvoor temeer reden bestaat, gezien de spanning tussen de zwartgalligheid van de diagnose, een nieuwe nucleaire winter voorspellend, en het optimisme van de medicatie: als het Westen maar wil, is veel, zo niet alles mogelijk. Niemand zal willen ontkennen dat president Jeltsin zich in een hachelijke positie bevindt en dat zijn eventuele vertrek grote onzekerheid zou veroorzaken. Maar door bij voorbaat uit te gaan van een opvolging in Moskou die op geen enkele manier zal zijn te beïnvloeden, maakt de Amerikaanse bewindsman zichzelf uiterst kwetsbaar. Zijn diplomatie dreigt op die manier te verworden tot een wedloop tussen alles of niets.

Churchill zag destijds de werkelijkheid onder ogen. Marshall droeg een haalbare en vruchtbare oplossing aan. Maar de ogenschijnlijk beheerste Christopher jongleert met uitersten. Zijn president verdient beter advies.