Ware liefde (6)

In Artis stonden een stuk of wat olifanten in de stal te eten. Ze hadden net vers hooi gekregen en elegant krulden hun slurven in de berg droogvoer en verdween er telkens een flinke pluk tussen hun slagtanden.

Twee mevrouwen keken met verbazing toe hoe dat in zijn werk ging, want vooral grote dieren in gevangenschap wekken niet alleen vertedering, ontzag of mededogen op, maar ook verbazing wat er allemaal op Gods aardbodem kan opgroeien en rondstampen. Als kind zag ik ze voor het eerst in de stallen van circus Strassburger. Ik kon niet genoeg van ze krijgen. Andere kinderen waren in de ban van de leeuwen en tijgers, ik was gek op olifanten. Dat geweldige, logge, plooierige. Die kleine, sluwe ogen. Dat bestofte gerimpel. Wat was ik gelukkig als ik daar stond in de zomer als de zon op het tentzeil scheen en alles geurde naar hooi en wilde-dierenmest. Kwak, daar viel weer zo'n geweldige vegetarische bolus in het stro. Retterdekletter, er werd daar heel wat gepiest en afgepoept. De olifanten hadden een ketting aan hun poot. Ik droomde dat ik ze zou losmaken en hen stiekem naar hun land van herkomst zou terugbrengen. Eén wiegde onafgebroken heen en weer, terwijl haar kindje onder haar grapjes maakte of zijn verdrietige moeder met zijn slurf plaagde. Ik voelde dat die trotse, grijze vrouw naar India verlangde. Naar de bloesems en de pauwen. Naar de deftige oppassers in hun nauwe, witte tropenuniformen met hun sierlijke tulbanden. Vogels vlogen klapwiekend uit de vijvers op als zij haar getrompetter liet horen om vervolgens, schitterend aangekleed en beschilderd, neer te knielen omdat een maharadja op zijn wankele gouden troon wilde gaan zitten die ze op haar rug droeg, om vanaf veilige hoogte zijn onderdanen tegemoet te treden.

De ene mevrouw zei tegen haar vriendin: “'t Zijn geen vleeseters, hè?”

“Nee, 't zijn geen vleeseters.”

“Dat kan eigenlijk ook niet, daar zijn ze veel te log voor.”

“Ja, daar kon je wel eens gelijk in hebben, daar zijn ze inderdaad veel en veel te log voor.”

Ik moest denken aan vroeger. Aan Bronger, mijn schilderkunstenaarsvriendje. Hij was behoorlijk aan de schele kant maar had een geoefend schildersoog. Hij was net als ik "romantisch ingesteld', kortom, we zaten achter de meiden aan. Bronger was veel fijngevoeliger en veel minder platvloers dan ik, die op alles verliefd werd wat maar enigszins in pettycoat op naaldhakken en met naadnylons voor me bewoog. Wat een tijd, wat een tijd. Bronger geloofde in het eeuwige in de vrouw. Hij liep achter de meisjes aan om de "enige, echte ware, voor de rest van zijn leven' tegen het lijf te lopen, om haar nooit en te nimmer meer te verlaten. Je had, als dat "Vandaag-ontmoet-ik-mijn-ware-liefde-gevoel' over hem kwam, geen moment rust. Ze kon immers, hoe dan ook, plotseling voor hem staan. Dan moest hij paraat zijn, alert tot het uiterste, anders kon hij zijn eeuwig geluk gauw mislopen. Dus: wie klopte daar een kleedje uit? Wie stapte er de trolleybus in? Wie roeide in een kano door het Schuitendiep? Er achter aan. Een heel gedoe evengoed. Op een dag is er iets feestelijks in de stad. Circus Strassburger doet met veel geschetter, gejongleer en vertoon van mens en dier zijn intrede in Groningen. Ook de olifanten sjokken gedwee in de stoet en laten even gedwee hun warme vijgen vallen. En daar, hoog in het zadel van haar onstuimige Arabische volbloed, de oogverblindende dochter van de circuskoning, Regina Strassburger zelf. Als zij haar hengst uitgerekend voor de voeten van een totaal onthutste Bronger laat steigeren, is er geen redding meer voor hem mogelijk. Ware liefde op het eerste gezicht. Om in haar nabijheid te kunnen zijn wordt hij staljongen en zwerft weldra in haar gevolg mee, kriskras door Europa.

“Helaas niet bij de paarden, die schrikken van schele mensen, wist je dat? Bij de olifanten. Zij deed haar dressuurnummer altijd na de olifanten en ik moest dan vóór ze de piste binnenkwam, vlug met een emmer en een schep de poep opruimen. Op een keer was ze aan de vroege kant en verloor haar rijzweepje. Ik zette mijn poepemmer voor haar neer en bood haar het zweepje met een vriendelijke buiging aan. Alles brullen van het lachen. Haar nummer was bedorven. Dat was in Barcelona. Ik werd op staande voet ontslagen.”