Violist Rudolf Koelman maakt, na Heifetz en wat kleine criminaliteit, eindelijk carrière; "Ik wil vrij spelen, zoals het gevoel het me ingeeft'

Concerten: 23/3 Deventer; 24/3 Maastricht; 25/3 Concertgebouw Amsterdam; 26/3 12.30 uur Muziekcentrum Vredenburg Utrecht (gratis lunchconcert met Grieg, De Falla en Poulenc).

AMSTERDAM, 22 MAART. “Ik ben blij dat ik uit Nederland ben weggegaan”, zegt de 33-jarige violist Rudolf Koelman die deze week voor het eerst sinds tien jaar weer in ons land optreedt. “Anders zat ik hier misschien nu nog in de bijstand en naast Mijnheer de Bruin, de hond van de directeur van het Nederlands Impresariaat, vergeefs te bedelen om een paar concertjes.”

Zo'n vijftien jaar geleden werd Koelman, die achtereenvolgens leerling was van Jan Bor, Herman Krebbers en Jascha Heifetz, door insiders beschouwd als een van de veelbelovende talenten van zijn generatie. Hij kreeg de Gouden Stuiver van Stuif-es-in, won na Jaap van Zweden de tweede prijs op het Oskar Back Jeugdconcours en werd regelmatig uitgenodigd om bij provinciale orkesten te spelen.

Maar talent alleen is geen garantie voor een succesvolle carrière. In 1979, terwijl hij nog bij Heifetz in Los Angeles studeerde, ondermijnde Koelman zijn moeizaam veroverde positie met twee curieuze recitals in het Amsterdamse Concertgebouw.

“Die concerten waren georganiseerd door mijn vader, die een reclameman was. Met de beste bedoelingen had hij alles veel te groots aangepakt. De hele stad was behangen met reusachtige affiches, er stonden spotlights op het podium, heel belachelijk allemaal. Mij viel dat toen niet zo op, want in Amerika zijn zulke dingen heel normaal. De zaal zat propvol, maar op de pers had het een heel negatieve invloed. Ik werd door sommigen volkomen de grond in geboord als een ingebeelde kwast zonder smaak. En dat al helemaal omdat ik volgens de recensenten een veel te kort programma speelde, met rare kleine stukjes.

“Dat kwam omdat Heifetz tegen me gezegd had: "Het interesseert de mensen heus niet als jij solo speelt, dus moet je niet uren gaan spelen.' Daarom had ik een mooi kort programma bedacht met allerlei verschillende stukjes, een rotzooitje van allemaal liflafjes door elkaar. "Koelman doet zijn naam alle eer aan' heette het zelfs venijnig. Ik had het hier voor eens en altijd verpest.”

Toen Koelman in 1981 na zijn lessen bij Heifetz uit Californië naar Nederland terugkeerde kreeg hij geen poot meer aan de grond. Hij belandde in de bijstand en lag, in afwachting van concerten die maar niet kwamen, depressief in zijn bed naar de tv te kijken. “Moet je je voorstellen wat een rare wereld. Je hebt net je opleiding voltooid bij de grootste violist aller tijden en je wilt niets liever dan vioolspelen. Maar dan zit je ineens in de bijstand. Op een gegeven moment was het zelfs zo erg dat ik fietsen ging stelen om de huur en de telefoonrekening te kunnen betalen.”

Na een tijdje kwam Koelman tot de conclusie dat het geen zin had om in Nederland verder te verloederen. Hij vertrok op de bonnefooi naar Zwitserland, een land dat hem altijd al had aangetrokken. “Ik ben in Bern op straat gaan spelen, dat was daar nog helemaal nieuw. Er stond altijd een enorme kring mensen om mij heen en per uur lag er voor 150 gulden schoon in mijn vioolkist. Ik speelde een paar uur per dag en daarvan kon ik een fantastisch appartement huren, allemaal illegaal natuurlijk.

“Ik speelde steeds maar weer dezelfde stukken, de Chaconne van Bach, de Solosonates van Ysaye, de Caprices van Paganini en de Zigeunerweisen van De Sarasate. Ik ging er heel vrij door spelen maar ook steeds slordiger. Ik werd almaar luier en op een dag dacht ik: "Hoe moet dit eigenlijk verder, want ik word alleen maar ouder'.”

Koelman was toen 21 en besloot dat hij conservatoriumleraar wilde worden. Dat zou hem een regelmatig inkomen verschaffen en gaf hem ook de ruimte om concerten te geven. Zo onverschillig als het iedereen in Nederland had gelaten dat hij een leerling van Heifetz was geweest, zo'n aanbeveling bleek dat overal in het buitenland te zijn.

“Ik vond moeiteloos een baan aan het conservatorium van Feldkirch, een plaatsje aan de Oostenrijkse grens waar ik zes jaar met veel plezier heb gewerkt. Ik leerde er bovendien een manager kennen die overal in Europa concerten en recitals voor me organiseerde. Vijf jaar geleden werd ik professor aan het conservatorium van Winterthur, waar ik nu met mijn vrouw en twee kinderen in een prachtige vrijstaande villa woon.”

Koelman steekt niet onder stoelen of banken dat het hem in Zwitserland voor de wind gaat. Als docent geniet hij er een riant salaris en voor zijn optredens krijgt hij naar Nederlandse maatstaven astronomisch hoge honoraria. “Als ik daar een recital geef, verdien ik vijftien keer meer dan in Nederland, al behoor ik daar gewoon tot de middenklasse. Ik ben blij dat ik van dat eeuwige gezeur om een paar centen verlost ben. Ik kan er niet tegen als iemand zanikt om een paar honderd gulden of weigert mijn reiskosten te vergoeden. Kwaliteit kost geld, denk ik dan. Dat lijkt misschien arrogant, maar waarom zouden musici zich altijd laten onderbetalen?”

Toch verheugt Koelman zich erop weer eens een serie recitals in ons land te spelen, al begrijpt hij niet goed waaraan hij die plotselinge interesse van het Nederlands Impresariaat heeft te danken. “Mogelijk heeft het te maken met de opnames die ik de laatste jaren heb gemaakt. Vooral mijn laatste cd, de Vioolsonates van Brahms met pianist Antoine Oomen, heeft in Duitstalige muziekbladen heel goede kritieken gehad. Eerder maakte ik cd's met werken van Kreisler, met favoriete toegiften en met het Vioolconcert van Conus. Al die cd's liepen goed en vroeg of laat kletsen die dingen zich toch rond.”

Deze keer zal Koelman samen met zijn vaste pianist Antoine Oomen in het Amsterdamse Concertgebouw een traditioneel recital ten gehore brengen met vioolsonates van Beethoven, Prokofjev en Brahms, zonder spotlights of virtuoze rariteiten. Maar dat betekent niet dat hij anders is gaan denken over de kunst van het vioolspel of over zijn voornaamste leraar, Jascha Heifetz.

“Consequent inconsequent durven zijn is misschien wel de belangrijkste les die ik in die drieëneenhalf jaar van Heifetz heb geleerd. Door Krebbers werd je gedrild volgens een bepaald systeem van streken en vingerzettingen. Iedereen zegt altijd dat Heifetz zo'n koude en nare tiran was, maar ik vond hem een hele lieve en oprechte man. Bij Krebbers had ik altijd trillende knieën, maar voor Heifetz was ik absoluut niet bang. Misschien kwam dat ook wel omdat hij al achter in de zeventig was, toen ik bij hem studeerde. Bij Heifetz moest het elke dag weer anders. Als ik tegen hem gezegd zou hebben: "Ja, maar Mr. Heifetz, gister zei u nog dat ik daar een vierde vinger moest nemen', dan was ik er onmiddellijk uitgegooid.

“Mijn conclusie was dus dat het zowel met de vierde als met de eerste, tweede of derde vinger kon, al naar gelang je gevoel je dat op een bepaald moment ingeeft. Pas nadat ik die rigide methodes van vingerzettingen en streken kon loslaten, werd het mogelijk echt vrij viool te spelen en lekker muziek te maken.”