Sport verdient belangrijke plaats in lesrooster

Het is begrijpelijk dat premier Lubbers in zijn betoog over de maatschappelijke functie van de sport op de opiniepagina van 13 februari niet verder gaat dan het onderwerp "permanent' op de agenda te plaatsen. Evenzeer is het begrijpelijk dat NRC Handelsblad-redacteur Peter de Jonge in een artikel op de opiniepagina de minister-president kritiseerde omdat hij geen concrete uitbreiding van de steun voor de sport in het vooruitzicht stelde.

Die twee artikelen tonen in het klein de uitdaging waar de sport voor staat. Kunnen wij ons gezamenlijk verheffen boven het - objectief vaak verdedigbare - gekissebis en elkaar ondersteunen in inspanningen om de maatschappelijke betekenis van de sport werkelijk tot haar recht te doen komen? De Nederlandse sport heeft in vele opzichten een uitstekende infrastructuur zowel wat faciliteiten als wat organisatie betreft. Het kan allemaal natuurlijk nog veel beter, maar de basis is goed.

Er zijn maar weinigen in ons land die zich bewust zijn van de verschralende positie van lichamelijke opvoeding en sport in ons onderwijs. Weliswaar wordt dit deels gecompenseerd door actievere inspanningen van lokale sportverenigingen, maar deze kunnen nooit de rol overnemen die onze onderwijsinstellingen - en vooral dan lager en middelbaar onderwijs - in dit opzicht moeten hebben.

Het gevecht om de ruimte in het lesrooster is de afgelopen jaren veelal ten nadele van de lichamelijke opvoeding beslecht. En dat terwijl het zo belangrijk is om juist op jeugdige leeftijd kennis te maken met alle aspecten van lichamelijke opvoeding, sport en spel. Sport biedt de jeugd een doel, een uitlaatklep, een maatstaf voor relatief succes, en misschien het belangrijkste is nog wel dat sport een hulpvaardige en teamgerichte "maatschappij in het klein' vormt.

De Koninklijke Vereniging van Leraren van Lichamelijke Opvoeding heeft al talloze initiatieven genomen om deze desastreuze ontwikkeling in ons onderwijs een halt toe te roepen. Die inspanningen verdienen meer aandacht van de centrale en lokale overheid, maar ook van het lokaal bedrijfsleven. Sport en opvoeding is een thema dat op lokaal niveau tot ontwikkeling moet worden gebracht.

Frappant in dit opzicht zijn de tegenstrijdige bewegingen, waarmee de sport te maken heeft. Het heeft er de schijn van dat het ministerie van onderwijs onder druk van andere prioriteiten afbreekt wat het ministerie van WVC (èn sport) probeert op te bouwen. De relatie tussen bewegingsonderwijs en sport zou juist nadrukkelijk moeten worden versterkt. Uit het technisch kader van onze sportorganisaties (trainers en coaches) horen we steeds vaker de klacht dat ons onderwijs in bewegingstechnisch opzicht "krukken' aflevert.

Bovendien is sport natuurlijk meer dan alleen fysiek bewegen; de opvoedende mogelijkheden van sport kunnen juist in het onderwijs goed worden benut. Niet alleen moeten we bij onze jeugd belangstelling wekken voor lichamelijke opvoeding sport en spel, maar uiteindelijk is het werkelijke doel om onze samenleving door de mogelijkheden van sport en spel beter te laten functioneren. De wekelijkse vier miljoen bezoekers van de sportverenigingsgebouwen realiseren zich wellicht lang niet altijd welke rol deze ontmoetingsplaats in hun maatschappelijke leven vervult. De sportvereniging is één van de relatief weinige plaatsen waar een saamhorigheids- en maatschappij-gevoel bestaat.

Lokale en centrale overheden hebben in de loop der tijd enorme steun gegeven aan de opbouw van sportfaciliteiten in ons land. Mede dankzij deze inspanningen behoort ons land tot de best geoutilleerde op het gebied van de sport in brede zin. Tegelijkertijd zien wij echter het fenomeen dat in een aantal situaties de positie van de sportvereniging ter discussie is als gevolg van allerlei maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder de veel genoemde individualisering.

Elke buurt of gemeenschap heeft dan ook een taak de betrokkenheid bij sport en spel te bevorderen, enerzijds door waar mogelijk verenigingen te ondersteunen, anderzijds door het pad naar de sport te effenen bijvoorbeeld door publieke faciliteiten ter beschikking te stellen (pleinbasketbal tot jeu de boules), door regelmatig lokale sportevenementen te organiseren (van schoolvoetbal tot zevenkamp) en door toegang tot het verenigingsleven te bevorderen, (van gecoördineerde proef-lidmaatschappen tot open dagen). Een intensievere samenwerking tussen sportverenigingen en scholen zou daar veel aan kunnen bijdragen, zeker nu de meeste schoolsportbuitenterreinen zijn "geprivatiseerd'.

Nederland kan bogen op een goed ontwikkeld systeem van sportverenigingen en sportorganisaties met daarin de grootst mogelijke vorm van pluriformiteit. Om al deze activiteiten in goede banen te leiden is er behoefte aan zowel beroeps als vrijwillig kader. Tussen beide groepen valt geen scherpe lijn te trekken, ook omdat de inzet van sommige "vrijwilligers' een volle werkweek benadert.

Voor een goede ontwikkeling van de sport is een goede kaderontwikkeling zowel onder beroepsmatige als vrijwillige werkers in de sport een eerste vereiste. Er bestaan in Nederland verschillende initiatieven om deze kaderontwikkeling verder te bevorderen. Zo zullen wij bijvoorbeeld in Nederland dit jaar de primeur hebben met de organisatie van het eerste internationale sportmanagementcongres in Groningen door het daar gevestigde Sport Management Instituut. Opleidingen zijn op zichzelf geen garantie voor kwaliteit op alle niveau's - technisch en bestuurlijk - in onze sportorganisaties. In vele opzichten kunnen we tot voorbeeld strekken voor landen om ons heen, maar de sport - topsport en breedtesport - heeft behoefte aan een steeds sterker kader. Er zijn natuurlijk overeenkomsten en verschillen met de functie van het kader in een bedrijfsorganisatie, maar ik ben ervan overtuigd dat een kaderfunctie in de sport ten minste evenveel kwaliteiten vraagt als die in een vergelijkbare bedrijfsorganisatie, in ieder geval behalve technische ook brede sociale kwaliteiten. Wat dat betreft zou de sportorganisatie een goede opleiding kunnen zijn voor bedrijfsorganisaties; waarschijnlijk is dat voor vele bestuurderen ook al zo. Deels geldt deze stelling natuurlijk ook andersom.

Voor een buitenstaander is het hele thema sport en gezondheid uitermate onduidelijk. Enerzijds wordt de indruk gewekt dat sportblessures een belangrijke bron van arbeidsverzuim zijn. Anderzijds wordt de stelling betrokken dat een "gezonde medewerker een goede medewerker' is.

De positieve bijdrage van sport aan de gezondheid blijft helaas vaak onderbelicht. Het belang van gezondheid beperkt zich vanzelfsprekend niet tot het bedrijfsleven. Tegelijkertijd is het bedrijfsleven wel een primaire belanghebbende partij, die ook over de mogelijkheden kan beschikken om op een zinvolle wijze sport en geld in haar eigen doelstellingen te betrekken.

Er bestaat verwarring over het thema sport, doordat sport overwegend met topsport wordt geïdentificeerd en de topsport dan op haar beurt weer overwegend met commerciële sport. De uiteindelijke maatschappelijke waarde van de sport moet naast haar recreatieve functie vooral in de breedtesport worden gevonden. Dat neemt echter niet weg dat de topsport een unieke symboolfunctie bezit.

Topsport-idolen zijn normvormend voor de maatschappij. Successen in de topsport geven zelfvertrouwen en inspireren tot navolging. Internationale topsportresultaten vormen meer dan elk ander instrument een bron van reclame voor ons land. Vele landen hebben deze mogelijkheden onderkend en - het moet gezegd - soms ook misbruikt.

In Nederland is het echter tot nu toe zo geweest dat het licht van de topsport - wellicht als gevolg van onze calvinistische instelling - onder de korenmaat is gesteld. De omstandigheden waaronder Nederlandse topsporters tot hun internationale prestaties moeten komen zijn uitermate moeilijk. Twee van de drie Nederlandse topsporters kunnen maar marginaal in hun levensonderhoud voorzien en kunnen dus ook zeker niet rekenen op alle flankerende technische ondersteuning die nodig is om werkelijke topprestaties te bereiken.

Om een vergelijking te maken met andere landen: Noorwegen gaf in de twee jaren voorafgaande aan "Albertville' ƒ 30 miljoen per jaar uit aan de Olympische voorbereiding van zijn topatleten. Dat is ƒ 7,08 per inwoner. Spanje gaf ƒ 60 miljoen per jaar extra uit aan de voorbereiding van zijn atleten voor "Barcelona'. Beide landen onderscheidden zich met onverwachte, zeer spraakmakende resultaten. Een doelmatiger internationale promotiecampagne voor een land laat zich nauwelijks voorstellen en dat staat dan nog los van de effecten in eigen land van zulke prestaties.

Ter vergelijking moet worden gesteld dat de afdeling Individuele Begeleiding (IB) van NOC en NSF per jaar gemiddeld over een kleine ƒ 2,5 miljoen beschikt om onze circa vierhonderd topatleten te ondersteunen. Het lijkt mij de investering dubbel en dwars waard als we de handen ineen slaan om dit bedrag (16 cent per inwoner) in de komende jaren tenminste tot 10 miljoen gulden te verhogen (minder dan drie kwartjes per inwoner).

Sport is een zinvolle en plezierige tijdsbesteding. Het is ook een uniek instrument voor persoonlijke en collectieve vorming, waar onze maatschappij grote behoefte aan heeft. Laat iedereen daar zijn schouders eens onder zetten.