Slavenbaan tussen twee werelden; Profiel van de BISSCHOP

De Nederlandse bisschop heeft het moeilijk. Het plotseling verdwijnen van bisschop Bär van Rotterdam heeft de Nederlandse katholieken in grote beroering gebracht. Maar ook het ambt zelf is problematisch. De bisschop wordt geacht een bruggebouwer te zijn voor een vernieuwde kerk, maar tegelijk is hij bastion van de oude kerk. Door de mondigheid van de gelovigen heeft hij te maken gekregen met "duizend pausen'. Een bisschop is een manager op een steeds moeilijker wordende markt.

Vroeger kon je de monseigneur nog wel eens op een zonnige middag over straat zien wandelen, van het paleis naar zijn kerk. Gewoon, op zijn gemak. M.C.J.L. van Nispen ziet het tafereel nog zo voor zich. “Over zo'n wandeling deed hij toch al snel een half uurtje”, aldus Van Nispen, secretaris van de in 1967 opgerichte Nederlandse afdeling van Pro Petri Sede, een katholieke organisatie met als doel “zich in dienst stellen van Paus en Kerk”. En wat deed de bisschop na zijn wandeling in de kerk? “Nou, dan ging-ie een beetje zitten bidden.”

Die oude gemoedelijkheid van het roomse leven is allang verdwenen, weet de secretaris van Pro Petri Sede. “Waar moet een bisschop tegenwoordig nog zijn ontspanning zoeken, met alle onenigheid binnen de kerk? Veel priesters en leken trekken zich toch geen laars meer aan van wat hij zegt? Vroeger volgden de gelovigen de bisschop, wat hij zei was waar. Nu heeft hij te maken met een paar duizend "pausen' die het allemaal beter weten. Ik zou nu geen bisschop willen zijn, o nee.”

Wie wil het wel? Tot het bisschopsambt worden priesters geroepen van wie is vast komen te staan dat ze aan de voorwaarden voldoen zoals die vermeld staan in het kerkelijk recht. De betrokkene moet uitblinken door vast geloof, goede levenswandel, vroomheid, "zielenijver', wijsheid, bedachtzaamheid, menselijke deugden en de “overige eigenschappen die hem geschikt maken om het ambt te vervullen”. Hij moet "goede achting' genieten, ten minste 35 jaar zijn en vijf jaar priester zijn geweest. Voorts moet hij getooid zijn met een doctorsgraad in de theologie danwel het licentiaat in Bijbelkennis op zak hebben.

Naar een baan als bisschop wordt niet gesolliciteerd; het telefoontje komt meestal volstrekt onverwacht. Of de priester nog diezelfde dag op de nuntiatuur wil komen - over het waarom hoort hij dáár wel. Hij komt, natuurlijk, en verneemt van de nuntius (de pauselijke afgezant) dat het de paus heeft behaagd hem tot bisschop te benoemen. Veel bedenktijd is de uitverkorene niet gegund. Dat hoeft ook niet: weigeren komt bijna niet voor. “Het zal wel eens gebeuren dat iemand weigert maar je weet nooit wie - zoiets komt niet naar buiten”, zegt H.A. van Munster, oud-secretaris generaal van de Nederlandse bisschoppenconferentie.

Daarna begint “een slavenbaan”, zegt F. Oudejans, die ruim twintig jaar werkte als perschef van het bisdom Breda. “Zeker vergeleken met veertig, vijftig jaar geleden. De bisschop staat op een voetstuk en tegelijk wordt er van alle kanten aan je getrokken. En als ze niet trekken, duwen ze. Van links net zo erg als van rechts.” Een eenmaal gewijde bisschop dient het ambt vrijwel levenslang uit te oefenen: pas op zijn 75ste kan hij, met toestemming van de paus, zijn werk neerleggen. Dat werk behelst allereerst natuurlijk het besturen van het bisdom, daarnaast is een bisschop lid van de bisschoppenconferentie, hij is belast met de kwaliteit van het theologisch onderwijs in zijn bisdom en vice-voorzitter van een kerkelijke vredesorganisatie of hij houdt zich bezig met de leiding van het industriepastoraat.

De moderne bisschop moet vooral een manager zijn, op een moeilijke markt: het produkt is aan modernisering toe, de klanten worden steeds mondiger, het aantal gekwalificeerde verkopers daalt gestaag - en vanuit het hoofdkantoor komen tegenstrijdige signalen over de te volgen koers.

“De christenen zijn anders geworden”, zegt de dominicaan en theoloog E.C.F.A. Schillebeeckx. “Ze zijn pluriformer, mondiger. Dat brengt voor bisschoppen een nieuw soort onduidelijkheid met zich mee, ze moeten met pluriformiteit en met conflicten kunnen omgaan - en dat kunnen de meesten niet. Als je het beschouwt als een bedrijf, zie je nu al tien jaar lang knutselwerk in plaats van goed bestuur.”

J. ter Laak, secretaris van de katholieke vredesbeweging Pax Christi: “Bisschoppen zijn woordvoerders geworden. Vroeger schreven ze af en toe eens een brief en daar konden ze dan een week over nadenken. Nu moeten ze ook nog voortdurend de media bedienen, en dat gaat ze moeilijk af.” Een afwijzing verwachten de gelovigen niet van hun bisschop en dus gééft hij dat interview aan een plaatselijke krant (“U bent hier vroeger kapelaan geweest, daarom leek het ons zo leuk met u terug te blikken”), dus bedient hij zowel de KRO als het Katholiek Nieuwsblad en ook de niet-christelijke media, altijd onder het motto: balanceren, niemand voor het hoofd stoten. Want hij weet dat zijn woorden op een goudschaaltje worden gewogen.

“Het is allemaal niet meer te overzien voor ze”, vindt M.P.J. van Knippenberg, hoogleraar pastoraal-theologie aan de Theologische Faculteit Tilburg. “De democratisering in de kerk sinds het tweede Vaticaans Concilie heeft een veelheid aan adviesraden van priesters, dekens en leken voortgebracht die ze op de voet moeten volgen. Verder zijn er allerlei afwijkende inzichten bijgekomen over het geloof. En dan moet hij zich nog eens als een soort manager bezighouden met zaken als personeelsbeleid, want het spreekt allang niet meer vanzelf dat je voor kerkelijke functies goede mensen voor het uitkiezen hebt.”

Elke aflevering van het maandelijkse "Bisdomblad' bevat een uittreksel uit de agenda van de bisschop. Soms staan er voor een dag maar twee dingen: om tien uur 's ochtends eucharistie bij een zoveeljarig bestaan van een katholieke organisatie, 's avonds om zeven uur 's avonds viering van het sacrament van het vormsel. Niet vermeld in het blad zijn de rijen afspraken die de secretaris van de bisschop voor hem heeft gemaakt. Met parochianen die komen klagen over de preek van hun pastor, met ouders die met zichzelf of hun kinderen overhoop liggen, met kerkbesturen, met maatschappelijke organisaties. Tussendoor is hij te gast bij een jubilerende parochie - desnoods drie keer per dag want “waar de parochianen vroeger genoegen namen met een deken willen ze nu de bisschop zelf op hun feest hebben”, zegt oud-secretaris-generaal Van Munster. Oud-perschef Oudejans kan zich “voorstellen dat ze overspannen worden. Een bisschop is ook niet opgeleid als manager. Vroeger begon je doorgaans als kapelaan bij een pastoor. Zo'n kapelaan liep stage, zou je kunnen zeggen. Dat kon jaren duren. Maar nu wordt iemand meteen al pastoor, omdat er zo'n groot tekort is.”

Een van de titels van een bisschop is "bruggebouwer' (pontifex). Hij moet de brug slaan voor de gelovigen naar de moderne tijd. Een cruciale en inhoudelijk zware rol, die werd vastgelegd door het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) toen de kerk zichzelf in een geseculariseerde tijd probeerde te moderniseren. Ter Laak van Pax Christi: “Hij moest het allemaal gaan doen. Theologisch vind ik dat al niet zo sterk, omdat het idee van een kerkgeméénschap in de knel komt, maar bovendien is het ambt daarmee een gigantische last geworden.”

Een voorbeeld uit de dagelijkse geloofspraktijk is de vernieuwing van de kerkelijke liturgie. Secretaris E.P. de Jong van de bisschoppelijke Commissie voor Liturgie: “De liturgie moest minder afstandelijk, meer mens-betrokken worden. Het ging erom de kerk te updaten, zou je kunnen zeggen. Vroeger diende een bisschop bijvoorbeeld een hele school tegelijk het heilig vormsel toe, of een paar parochies bij elkaar. Nu doet hij één klas per jaar. Hij moet weten hoe al die kinderen heten en bij voorkeur nog een persoonlijke felicitatie uitspreken tot de ouders.” Een bisschop maakt soms alleen al met met vormsel een werkdag van acht uur, inclusief reistijd. De Jong: “Dat zal niet elke dag gebeuren, maar een bisschop is toch zeker elk weekeinde ergens aan het vormen.”

Maar behalve bruggebouwer voor een nieuwe kerk is de bisschop ook “het laatste bastion van de oude kerk”, zegt hoogleraar Van Knippenberg. “Tussen de priesters en de gelovigen is de afstand veel kleiner geworden. Maar de bisschop troont nog steeds ver weg in zijn paleis, afgeschermd van de buitenwereld. Bij het behoudende deel van de kerk zit daar ook iets achter van: als we dat niet meer hebben, zijn we echt nergens meer.”

Tot de geïsoleerde positie van de kerkvorst draagt nog bij dat het steeds moeilijker wordt bekwaam kerkpersoneel te vinden, zegt K.W. Walf, hoogleraar Canoniek recht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. “Een bisschop kan steeds minder bogen op goed opgeleide medewerkers. De adviesorganen die hem moeten bijstaan, kunnen door het priestertekort nauwelijks nog worden gevuld met hooggekwalificeerde mensen. Nieuwe priesters worden eerst ingezet in het parochiewerk omdat dat nu eenmaal de hoogste prioriteit heeft, dus er zijn er gewoonweg minder vrij voor studie en bestuurswerk. Het vakmatige niveau, althans op kerkjuridisch terrein, is in Nederland nu al niet meer wat je ervan zou moeten verwachten.”

Klem tussen de toenemende mondigheid van de leken en de afnemende expertise van zijn eigen medewerkers: de tol van die eenzame positie is zwaar, aldus hoogleraar Van Knippenberg: “Vergelijk een bisschop eens met de voorzitter van bijvoorbeeld de Hervormde Synode. Die kan toch gewoon vrij mens zijn? Maar wie zegt er bijvoorbeeld "jij' tegen een bisschop? Er wordt hem heel veel menselijkheid ontzegd. Dat maakt conflicten ook meteen zo dramatisch.”

En conflicten zijn er volop, door de polarisatie en machtsstrijd die de kerkgemeente sinds de jaren zestig verdelen. Godsdienstssocioloog J.J.O. Goddijn: “Na kardinaal Alfrink, die in de jaren zestig een pluriforme koers insloeg en daardoor moeilijkheden kreeg met Rome, is de paus behoudende, autoritaire bisschoppen gaan benoemen. Die hebben een heel andere uitstraling. Alfrink liep nog regelmatig gewoon in zijn zwarte clergyman-pakje rond, die dwong gezag af door zijn stijl van optreden. Anders lukt het ook niet, in deze tijd. Maar die behoudende bisschoppen kùnnen dat helemaal niet, die hebben geen management-stijl. Ze gaan slecht met de media om, ze luisteren niet naar de mensen, ze krijgen alleen maar een stijve nek van het omkijken naar Rome. Het criterium voor hun functioneren ligt buiten hun eigen leiderschap, ze zijn een politiek instrument geworden - en dan gaat het mis.” Secretaris J. Ter Laak van Pax Christi: “Er zijn bisschoppen benoemd die moesten passen in de lijn van Rome maar die het vaak qua psychische structuur niet aankunnen. Het werden haast tragische figuren, slachtoffers. Behalve Ernst, die kan het wel. Maar af en toe als ik een bisschop zie denk ik: hoe hebben ze het zo'n man kunnen aandoen?”

Theoloog Schillebeeckx: “Het ambt hoeft eigenlijk op zich nog helemaal niet zoveel zwaarder te zijn dan vroeger, als je maar kunt delegeren en met democratisering kunt omgaan. Er zijn niet voor niets sinds "Vaticanum II' zoveel raden gekomen. Maar deze bisschoppen maken daar geen gebruik van, ze willen alles in eigen hand houden. Die raden worden kaltgestellt zodra ze adviezen uitbrengen die niet met de lijn van Rome stroken.” De hervormingsgezinde geest van "Vaticanum II' is voor de conservatieve bestuurders “een dode letter geworden”, aldus de emeritus-hoogleraar. “Zij zijn benoemd om de lijn van Rome te volgen. Maar vanuit Rome kan men nu eenmaal niet langer de wereld besturen.”