Passage

Twee schapen, het ene in de sloot, het andere in de trein, Amsterdam richting Utrecht.

Het ene schaap is gauw verteld. Het is naast de wei gaan staan, in de zuigende modder. Het rust met zijn wollige lijf op het slootwater. Zo zal dat schaap het wel een tijdje weten uit te zingen. Er kan best nog iemand komen kijken en hem op de kant helpen.

Het andere is bijna menselijk gecompliceerd. Hij is bij voorbeeld naar de Oude Zijds geweest om het werk te zien van een kunstenaar die van vogels hield en pas is doodgegaan. De explosie van een papegaaiduiker, om maar wat te noemen.

Daarna heeft hij voor een radioprogramma over zijn boek zitten praten. Een prachtig boek, dat spreekt. Anders had hij het niet gemaakt. Anders hadden ze hem niet voor de radio gehaald.

Daarna heeft hij een man ontmoet die een brief had geschreven en deze man was bevriend met de kunstenaar van die papegaaiduiker. Dat kan geen toeval zijn.

Vervolgens is hij naar het Centraal Station gelopen. De intercity van 15.49. Een plaatsje eerste klas, riant aan het raam, sigaartje sluimert aan zijn lippen.

Zij passeren elkaar met hoge snelheid onder Abcoude, twee schapen dus. Het ene vecht roerloos voor zijn leven. Het andere kan er ook niet veel aan doen.