Nederland geen hekkesluiter meer met arbeidsparticipatie

ROTTERDAM, 22 MAART. Nederland scoort in Europa op het gebied van de arbeidsparticipatie geleidelijk aan beter. Van de EG-landen heeft Nederland het met de ontwikkeling van zijn arbeidsdeelname door burgers van 15 tot 65 jaar in de jaren tachtig niet slecht gedaan. Van een laatste plaats in 1981, toen de helft van de beroepsbevolking een baan had van ten minste 11 uur per week, rukte Nederland in 1989 op naar een met Italië gedeelde derde en vierde plaats met een percentage van 52.

Die winst van slechts 2 procentpunten lijkt niet groot, maar gaat in tegen de ontwikkeling in diverse andere landen waar de arbeidsdeelname afnam. In België in de jaren tachtig van 56 naar 54 procent, en in Frankrijk van 60 naar 57 pocent. In Duitsland steeg de arbeidsparticipatie van 61 naar 62 procent.

De winst voor Nederland kwam volledig voor rekening van de vrouwen, zo heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek berekend. Hun arbeidsdeelname nam toe van 29 naar 36 procent, terwijl het percentage bij de mannen terugliep van 70 naar 68.

In een tweede onderzoek naar de vergrijzing van de beroepsbevolking wordt aangetoond dat de veroudering snel doorzet. In 1989 werkten er in de leeftijd van 15 tot 25 jaar nog 1.025.000 mensen, twee jaar daarna waren dat er al 15.000 minder. In de volgende leeftijdsgroep van 25 tot 35 jaar nam het aantal mensen met betaald werk in die twee jaar toe met ruim 100.000 tot 1,7 miljoen mensen.

Zowel in de industrie als de dienstverlening verdwijnen de jongeren, met als opvallende uitschieter de banken en verzekeraars. Alleen in de handel, horeca en reparatie komen er nog steeds jongeren bij. In particuliere bedrijven is, ondanks enige veroudering, meer dan de helft van het personeel nog jonger dan 35 jaar. Bij de overheid en de semi-overheid (instellingen die van subsidies en premies rondkomen) is achtereenvolgens 65 en 53 procent van het personeel ouder dan 35 jaar.