Na Schuberts laatste sonate houdt pianist Zimerman zichzelf stil

Concert: Krystian Zimerman (piano). Programma: C. Debussy: Estampes, F. Chopin: Sonate nr. 3; F. Schubert: Sonate in Bes, D 960. Gehoord: 21/3 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 22/3, Tilburg.

Krystian Zimerman behoort tot het soort pianisten dat de muziek belangrijker vindt dan zichzelf. Tijdens het recital dat Zimerman gisteravond gaf in de Serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw, liet hij zich kennen als een introvert en poëtisch kunstenaar. Zimerman vormt de tegenpool van de diep in de toetsen knedende klavierleeuw. Er is iets aangenaam terughoudends in zijn spel. Het is zeer precies, zonder ook maar een moment te verstarren in een kille opsomming van noten. Zijn akkoorden klinken licht en doorschijnend ook al worden ze aangeslagen in het basregister en zijn toon is onwaarschijnlijk helder.

Die eigenschappen kwamen goed uit de verf in het kleurrijke Estampes, waarin Debussy klankbeelden penseelt van pagodes, een Spaanse stad en tuinen in de regen. Zimermans loopjes waaierden soeverein over het klavier. Ook in de Derde sonate van Chopin lag het accent op klankschoonheid, waarbij het eerste deel een wat gejaagd karakter had. In het Largo was Zimerman even alleen met de muziek; hij slaagde er maar ten dele in zijn bedoelingen duidelijk te maken.

Of Zimerman zijn smetteloze techniek kon koppelen aan muzikale zeggingskracht moest blijken in de Sonate D 960 van Schubert, een beproefde toetssteen voor de integriteit van elke pianist. De dromerige lyriek en de meditatieve, in zichzelf gekeerde atmosfeer verdragen geen virtuoze effecten. Het spel van Zimerman bleek in alle opzichten toegesneden op het karakter van de sonate. In het openingsthema had zijn toucher een teder karakter dat zich gaandeweg het eerste deel verdiepte tot een adembenemend mooie, ogenschijnlijk geïmproviseerde stroom van melodische motieven en variaties.

In het langzame tweede deel gaat een eindeloos desolaat en statisch thema over in een opstandiger middenpassage om daarna als een trieste herinnering terug te keren. De manier waarop Zimerman deze overgangen opbouwde en uitwerkte, getuigden van een grote affiniteit met Schuberts schuchtere klankwereld. Het delicate Scherzo klonk alsof Zimerman zijn vingers aangenaam liet verrassen door de springerige melodie en de Finale ademde een knap gedoseerde rusteloosheid.

Hoewel de uitbundige ovatie er alle aanleiding toe gaf, besloot Zimerman geen toegift te geven. Ook dat typeert zijn innemende bescheidenheid. Alsof het hem ongepast leek om de indruk te wekken dat er aan de monumentale laatste sonate van Schubert nog iets viel toe te voegen.