Multatuli's moordzoon

Op 23 september 1880 werd de 13-jarige Marius Boogaardt in Den Haag van school gehaald door een heer die zei dat hij gestuurd was door de vader van de jongen. In werkelijkheid betrof het een ontvoering. De jongen werd meegenomen naar de duinen en daar met een degenstok vermoord. Op 24 september om ongeveer half elf werd het lijk door enkele veldwachters gevonden achter Houtrust onder de gemeente Loosduinen. De vader had inmiddels een brief ontvangen waarin 75.000 gulden losgeld werd geëist.

Deze moordzaak bracht de gemoederen hevig in beweging. Ook Multatuli mengde zich in de zaak. Hij verdacht niemand minder dan zijn eigen zoon Edu van de misdaad. Multatuli's verdenking van zijn zoon werd onlangs nog even opgerakeld door Ischa Meijer in een provocerende toespraak die hij hield voor de jaarvergadering van het Multatuligenootschap. Zijn hoofdthema was de verhouding van Multatuli met zijn zoon Edu. Meijer trok een parallel met zijn eigen ervaringen als zoon van een vader: Multatuli was iemand die vooral aan zichzelf leed en die zijn zoon reduceerde tot een marionet.

In beschouwingen over de slechte relatie tussen Multatuli en zijn zoon komen steeds dezelfde anekdotes aan de orde. Toen Multatuli in 1869-1870 in Den Haag een huishouden had opgezet met zijn vrouw Tine, zijn kinderen Edu en Nonni en zijn vriendin Mimi Hamminck-Schepel, ging Edu eens zijn vader te lijf om zijn moeder te verdedigen. Schuimbekkend van woede moest Multatuli het onderspit delven. Een ander incident deed zich voor in 1877. Edu bezocht zijn vader in Wiesbaden, met in zijn gevolg een Duitse vriendin die op last van Multatuli naar haar ouders werd teruggestuurd.

Het dieptepunt in de relatie deed zich in 1880 voor. Bij de opsporing van de moordenaar van Marius Boogaardt gebruikte de politie een primeur: het handschrift waarmee de ontvoerder losgeld vroeg werd in lithografie vermenigvuldigd en als bijlage bij de Haagse kranten verspreid. Multatuli, die zijn zoon moreel dood en die hem tot alles in staat achtte, was er evenals Mimi, die inmiddels zijn tweede echtgenote was geworden, van overtuigd dat het handschrift van de moordenaar dat van zijn zoon was en meldde zijn verdenking bij de Haagse politie. Achteraf bleek dat Edu ten tijde van de moord niet eens in het land was.

Toen de ongegrondheid van zijn vermoeden hem was gebleken, vond Multatuli dat bepaald geen reden om gunstiger over zijn zoon te gaan denken. Aan de Rotterdamse boekhandelaar J. van der Hoeven schreef hij op 24 oktober 1880 over Edu: “Hy schynt te meenen dat het niet-vermoorden van Marius Bogaardt 'n groote verdienste is, die hem schoon wast van al z'n beroerdheid! Aan hèm schryf ik niet, maar ik zal hem door Nonni laten zeggen dat-i zich van z'n onschuld aan moord (een verdienste die duizend millioen menschen met hem deelen!) geen voetstuk hoeft te maken en dat het reeds schande genoeg is, door menschen die hem kennen (waaronder ik) tot zoo'n schanddaad in staat geacht te worden.”

Dit op zichzelf al onthutsende verhaal ging uiteraard rond in de kring van Multatuli's bestrijders. En kwaadwillige roddelaars maakten er natuurlijk nog iets mooiers van. Uit een brief van de Utrechtse boekhandelaar J.L. Beijers van 18 december 1882, gericht aan de mede-Multatulibewonderaar A.C. Loffelt, blijkt dat een nog kwaadaardiger versie de ronde deed. Multatuli zou zijn zoon hebben aangegeven, omdat hij uit was op de beloning van tienduizend gulden die was uitgeloofd voor degene die de dader wist aan te wijzen!

De geloofwaardigheid van dit verhaal werd niet alleen ondersteund door Multatuli's permanente tekort aan geld, maar ook door een andere anekdote. Toen Multatuli's dochter Nonni wilde trouwen en ze als minderjarige haar vader om toestemming vroeg, antwoordde Multatuli dat ze die toestemming kon krijgen als ze hem eerst zesduizend francs stuurde. Beijers vertelt in zijn brief dat hij de klant die hem deze verhalen vertelde de mond probeerde te snoeren. Het verhaal klonk ongeloofwaardig, zeker bij iemand als Multatuli die helemaal niets gaf om geld. De zegsman antwoordde echter dat hij de verhalen hoogst persoonlijk gehoord had uit de mond van de minister van justitie A.E.J. Modderman, de ontwerper van het nieuwe Wetboek van Strafrecht dat in 1881 van kracht werd.

Dat een minister zich met de verspreiding van dergelijke zaken bezighield, tekent het dorpse karakter van de Nederlandse samenleving in de vorige eeuw. Het is de sfeer, waarin een minister elke week spreekuur hield om sollicitanten voor baantjes te ontvangen, en waarin Thorbecke als minister van binnenlandse zaken persoonlijk de lijst censureerde van de boeken die de Koninklijke Bibliotheek wilde aankopen.

De verspreiding van het handschrift van de moordenaar van Marius Bogaardt leidde overigens inderdaad tot het vinden van de dader. Op 3 oktober 1880 werd Willem Marinus de Jongh gearresteerd. De moordenaar was een afgekeurde militair die op het punt stond in dienst te treden bij het ministerie van koloniën. Zijn handschrift werd herkend door een vroegere vriend en collega in het leger, Emile Auguste Musquetier. Fataal werd De Jongh onder andere dat hij als een van de weinigen het verbindingsstreepje gebruikte bij de naam 's-Gravenhage.

Veel plezier had de aanbrenger niet van zijn actie. Op last van de koning kreeg Musquetier weliswaar een voorkeursbehandeling bij het corps grenadiers en jagers waarbij hij diende, maar in brede kring, zowel binnen als buiten het leger, werd hem verraad van zijn vriend ten laste gelegd. Een auteur in De Dageraad schreef bijvoorbeeld dat Musquetier de vriendschap met de moordenaar had moeten opzeggen, dat hij De Jongh had moeten aanraden naar het buitenland te vluchten of zich van kant te maken, maar dat hij nooit zijn vriend aan de justitie had mogen overleveren. Dat Musquetier de beloning van tienduizend gulden geweigerd had, legde kennelijk geen gewicht in de schaal. In de verschillende betrekkingen die hij vervulde, mislukte hij. Hij vertrok naar Indië, maar het verwijt reisde met hem mee. In 1887 pleegde hij zelfmoord in Modjokerto. De Nederlandse kranten citeerden het emotieloze bericht uit het Soerabaiasch Handelsblad: “Hij zat in een commensalenhuis aldaar te praten met eenige heeren, van wie enkelen hem verweten, dat hij zijn vriend De Jong had verraden; zonder een woord te zeggen liep hij het huis uit, den dijk op en de rivier in.”