DE DUBBELE "VITTORIA' VAN FONDRIEST

's Ochtends voor dag en dauw werd in het bergdorp Cles zijn eerste kind geboren, Maria Vittoria. Die blijde gebeurtenis kon voor Maurizio Fondriest geen reden zijn in ijltempo huiswaarts te keren vanuit hotel Leonardo da Vinci in Milaan. Dat deed hem veel pijn, maar het werk gaat voor alles voor een professionele wielrenner. Dus meldde hij zich tegen negenen keurig aan de start van Milaan-Sanremo. 's Middags triomfeerde hij. Zijn tweede victorie van zaterdag jongstleden.

De Fondriests hebben een bijzonder hechte familieband. Dat bleek ook in de straten van Sanremo. Toen Maurizio de finish aan de Bloemenrivièra passeerde, besprong zijn oudere broer Francesco de solerende renner om hem met zoenen te overladen. Als eerste. Vader Cornelio stond achter de hekken te dansen - de gebruinde fruitteler met zijn verweerde zigeunerkop was niet meer zo lenig genoeg om over de ijzeren hindernis te klimmen. Tijdens de persconferentie na afloop prees Maurizio het warme enthousiasme van zijn verwanten: zij hadden nooit het vertrouwen in hem verloren, zij hadden hem altijd gesteund, “ook vorig jaar, toen ik niks heb gewonnen”.

Daarmee is zeker niet gezegd dat 1992 een zwak jaar was voor de Italiaan uit de deels Duitstalige Dolomieten, wiens voorouders Von Driest heetten. Integendeel. Zijn toenmalige werkgever Peter Post was juist heel tevreden over de fietsende gentleman, die regelmatig voorin was te vinden, met name uitblonk in de Ronde van Vlaanderen (vierde) en beresterk reed in de Amstel Goldrace, waar hij de weg naar de zege vrij maakte voor zijn ploegmaat Olaf Ludwig. Als Post, nu manager bij Histor, over een ruimer budget zou hebben beschikt, had hij er alles aan gedaan Fondriest voor zijn ploeg te behouden.

De coureur op zijn beurt heeft alleen maar lof voor Post en de zijnen. Hij omschrijft ploegleider Walter Planckaert als een uitmuntende leermeester, als “iemand die op het gebied van verzorging, motivatie en concentratie onverbeterlijk was”. Bovendien leerde hij in het noorden twee jaar lang een andere mentaliteit kennen dan de Italiaanse. Zijn Vlaamse ex-collega Marc Sergeant kan bij Fondriest niet kapot. “Die had een perfect wedstrijd-inzicht. Geloof me, ik zal hem missen.” Fondriest schreeuwt het van de daken: bij Post werd hij een veel betere allrounder. En had hij het naar zijn zin. Desondanks wilde hij terug naar Italië. Wegens het grote geld - zijn nieuwe sponsor Lampre tast diep in de buidel - maar ook om geliefd te blijven bij zijn landgenoten. De Azzurri begonnen tegen hem te mopperen. Al twee jaar had hij zijn gezicht niet laten zien in de Giro. Dat kon hij, vonden ze, als ex-wereldkampioen (1988) toch niet maken?

Pas 23 jaar was Fondriest toen hij de regenboogtrui op spraakmakende wijze veroverde in het Belgische Ronse. De titel was niet alleen een lust, ook een last voor de coureur, omdat hij hem op een schaaltje kreeg aangeboden. De vóór hem sprintende Steve Bauer zette zijn ellebogen uit elkaar, hinderde daarmee de Waalse favoriet Claude Criquielion zodanig dat beiden ten val kwamen. Fondriest profiteerde. De Italiaan werd prompt omschreven als een geluksvogel, als een “toevallige winnaar” die nog niet rijp was voor de gouden medaille. “Binnen is binnen”, redeneerde de eigenzinnige coureur. Een enorme opsteker voor Fondriest, de generatiegenoot van Gianni Bugno en Claudio Chiappucci, die in 1987 als kopman bij de beroepsrenners debuteerde. Na een glanzende carrière als amateur wilde hij niet anders. “Ik had geen zin naar de pijpen te dansen van campionissimi als Francesco Moser en Giuseppe Saronni”, legt hij uit in het boek Pedaalridders van Noël Truyers. Een grote ploeg zou hem in die rol nooit hebben aanvaard. De bescheiden formatie Alfa Lum waagde de gok wel. Moser en Saronni waren op hun tenen getrapt door de “arrogante nieuwkomer”. Hoewel Moser op slechts 35 kilometer afstand van Fondriest woonde, weigerde hij samen te trainen met de jongeling die voor niemand bang was. “In een van mijn eerste wedstrijden”, herinnert Fondriest zich, “kwam Saronni naast me rijden. Er wordt vandaag niet gedemarreerd, zei hij tegen me. Ik ben onmiddellijk gaan aanvallen.”

Inmiddels hebben renners en supporters ervaren dat Fondriest sterk in opmars is. Hij heeft niet de uitstraling van campione Chiappucci of de zwijgzame wereldkampioen Bugno, toch is ook hij uitgegroeid tot een ware vedette. Hij droeg een seizoen lang de regenboogtrui en was in 1991 winnaar van de wereldbeker. Vorige week won hij de Tirreno-Adriatico en zaterdag was hij van aparte klasse in Milaan-Sanremo. De laatste triomf was een doorbraak voor Fondriest, eindelijk een aansprekende stunt in Italië, een erkenning. Iets onvergetelijks voor de zoon van een appelboer uit Cles, die sinds zijn huwelijk eind 1989 in eigen land “de intellectueel” heet, omdat zijn vrouw Ornella economie studeerde aan een universiteit. “Maar ik blijf een gewone wielrenner”, zegt Fondriest.

Zaterdag haalde hij zijn zesde zege van het seizoen binnen. Tegenover de verzamelde wielerpers verhaalde hij in geuren en kleuren hoe hij in de slotfase te werk was gegaan. Hij had de versnelling 53-16 gehanteerd, zei hij. De venijnige Poggio - ook nu weer de alles beslissende col kort voor Sanremo - kende hij uiteraard door en door. En hij had, legde hij uit, uitgebreid de videobeelden bestudeerd van het duel tussen Sean Kelly en Moreno Argentin in 1992. “Argentin verloor omdat hij in de afdaling op de rechte stukken na de bochten vergat te sprinten”. Fondriest deed het beter op de Poggio: nadat hij met een explosie zijn concurrenten van zich afschudde, begon hij aan een flitsende zegetocht richting finish. Nee, zei hij later, Milaan-Sanremo is niet de mooiste wedstrijd die een renner kan winnen. Fondriest zou graag worden gekroond als nummer één van de Ronde van Vlaanderen of liever nog van Parijs-Roubaix, “want op de erelijst van die klassiekers staan slechts namen van absulute grootheden”. Toch beleefde hij zaterdag de heerlijkste dag van zijn leven. Maar dat kwam vooral door de geboorte van Maria Vittoria.