Zes regeringen heersen over een federaal België

Als de Vlaamse premier L. van den Brande volgende week voet zet op Nederlandse bodem is het eerste "staatsbezoek' door een zelfstandige deelregering van het federale België een feit. In de onderhandelingen over het Maas/Schelde-verdrag heeft minister Maij-Weggen afgelopen donderdag erkend dat het onmogelijk is geworden om België nog langer als eenheidsstaat te beschouwen. Met Vlaanderen wordt alvast een apart verdrag gesloten, met Wallonië wordt verder onderhandeld. CDA-senator Postma meent dat premier Lubbers de Vlaamse premier met te weinig ceremoniële eer ontvangt.

BRUSSEL, 20 MAART. Na bijna achttien jaar vergeefs onderhandelen met België over de Maas/Schelde-verdragen heeft de Nederlandse regering deze week de onvermijdelijke conclusie getrokken. Het is onmogelijk geworden om België als eenheidsstaat te behandelen. Het Nederlandse buitenlandse beleid moet afgestemd worden op zelfstandige betrekkingen met Wallonië, Vlaanderen en Brussel. Bijna twee decennia is er geprobeerd om Wallonië te dwingen de Maas schoon te maken, waarna Nederland ten bate van Vlaanderen de Westerschelde zou uitdiepen. (Of in een vroeger stadium: het Baalhoekkanaal zou graven).

Donderdag liet minister Maij weten te gaan streven naar een apart verdrag met Vlaanderen over de Schelde. Als drukmiddel lijkt Den Haag het tracé van de hogesnelheidslijn te willen gebruiken dat door Vlaanderen loopt. Met Wallonië worden de onderhandelingen over schoon Maaswater voortgezet. Daar heeft Den Haag minder ijzers in het vuur. Vorig jaar liet premier Lubbers in Brussel doorschemeren alleen de eventuele uitbreiding van vliegveld Beek in Maastricht bij onderhandelingen met de Walen te kunnen inzetten.

De nieuwe verhoudingen in het federale België dwingen de omringende landen tot een nieuwe aanpak. Buitenlandse diplomaten in Brussel moeten met maar liefst zes regeringen contact onderhouden: de nationale regering, de Vlaamse regering, de Franstalige Gemeenschap, het Waalse gewest, het Brussels hoofdstedelijk gewest en de Duitse Gemeenschap. De eerste strategische beslissing die een buitenlandse natie in België moet nemen is het kiezen van het juiste loket. Kan onderwerp X het best via de nationale regering kan worden aangekaart of direct bij de deelgebieden. En dan vooral: bij welke. De Belgische regering bewaart nog pijnlijke herinneringen aan minister Maij die de Waterverdragen wel met de Waalse en Vlaamse ministers besprak, maar de Brusselse minister van milieu vergat. Op de verschillende buitenlandse ambassades worden naarstig de competenties van de regionale organen in kaart gebracht - vooral de gedeelde bevoegdheden zorgen voor verwarring. Buitenlandse handel mag bijvoorbeeld zowel door de regio's als door de nationale regering worden behartigd.

Wie invloed wil uitoefenen op het Belgische "nationale' buitenlandse beleid kan de regio's evenmin negeren. De armslag van de nationale minister Claes wordt bepaald in het zogeheten "interministeriële comité', waar vijf regionale vertegenwoordigers tegenover drie nationale ministers zitten (handel, BZ en ontwikkelingssamenwerking). Daar licht men elkaar in over wat men zoal in het buitenland uitspookt vooral met wie er verdragen worden gesloten. De nieuwe landsdelen profileren zich al enthousiast in het buitenland. De Waalse premier Spitaels was in Mexico City en de Vlaamse premier Van den Brande is net terug uit Praag. Volgende week is hij in Den Haag.

Wat gebeurt er als Vlaanderen een cultureel akkoord met Zuid Afrika wil sluiten terwijl de Belgische regering nog aan een boycot vasthoudt? Strikt genomen mag het kabinet Vlaanderen opdragen zo'n verdrag "op te schorten'. De deelregering kan daartegen in beroep bij een ministerscomité onder leiding van de premier. Een dergelijk verdrag kan definitief worden geschorst maar een premier die dat doet, riskeert een kabinetscrisis. De nationale staat wordt immers beheerd door maar twee landsdelen die dus ieder afzonderlijk het lot van het kabinet kunnen bepalen. De premier moet dus steeds een compromis zoeken.

Volgens premier Dehaene is het een uniek systeem in de wereld. Er is niet zoals in andere federale staten sprake van een "hiërarchie der normen', waarin de deelstaten zich moeten schikken naar nationaal beleid. In België zijn regionale en nationale ministers principieel gelijkwaardig. Buitenlands beleid komt er in permanente arbitrage tot stand. Bij gedeelde bevoegdheden zoals landbouw zullen er zelfs tussen regio en nationale staat "samenwerkingsovereenkomsten' worden gesloten. Bij de EG zal België regelmatig door meerdere ministers tegelijk worden vertegenwoordigd. Wordt "België' door het EG-Hof van justitie veroordeeld, omdat Wallonië, Brussel of Vlaanderen de EG-wetten niet hebben nageleefd, dan kan het kabinet dat intern verhalen op de deelregering. België blijft volkenrechtelijk wel bestaan, maar wordt voor het EG-recht toch steeds meer een postbus-staat.

Bij politieke controverses toont het op het oog zeer democratische systeem z'n zwakheden. Een confrontatie over buitenlands beleid kan dan snel uitlopen op een crisis over België zelf. Dat bleek bijvoorbeeld bij de laatste kabinetscrisis. De nationale regering wenste geen wapens naar het Midden-Oosten te exporteren. Maar de Walen wilden hun laatste grote industrie echter geen grote order onthouden. De regionale Waalse regering verleende prompt zichzelf een exportvergunning en het kabinet viel. Met die ervaring voor ogen is in het nieuwe stelsel afgesproken dat regio's in zulke omstandigheden een "vitaal belang' mogen inroepen, waarna de besluitvorming is bevroren. In de onderhandelingen die dan volgen blijkt dan in hoeverre Vlamingen en Walen bereid blijven om de schijn van een eenheidsstaat op te houden.