Wethouden in Nederland (1)

Vandaag is R.F.M. Lubbers even lang minister-president als W. Drees het hoge ambt heeft bekleed. Hij hoeft het volgende carnaval niet af te wachten vóór hij deo volente ook de langst dienende eerste minister in de geschiedenis van dit land is.

De huidige Wethouder van Nederland heeft wel eens de indruk gewekt bezig te zijn aan zijn laatste ambtstermijn maar dat wil niet zeggen dat hij zachtjes uitrijdt. Hij lijkt meer brieven te schrijven en ideeën te opperen dan ooit. Dienstplichtigen naar brandhaarden, orde en discipline op school, softdrugs voor minderjarigen, alles krijgt aandacht in het verkeerstorentje van de Staat der Nederlanden.

Lubbers' rol is de voorbije tien jaar in veel opzichten indrukwekkend en stimulerend geweest. Het heeft al werkende weg ook bijgedragen aan vormen van verwording, niet alleen in de taal, maar ook in het beleven van de democratische rechtsstaat. Bijvoorbeeld in de gemeente. Sterke voorbeelden dwingen navolging af.

Het waren ogenschijnlijk goede weken voor de gemeentepolitiek, althans voor de zuiverheid van de "staatkundige' verhoudingen in de gemeente. Donderdag kondigde de Rotterdamse wethouder Henderson zijn vertrek aan nadat de gemeenteraad het vertrouwen in hem had verloren. Hij had een schokkend rapport over fraude met sociale uitkeringen in '89 onder zich gehouden. Een week eerder trad de Haagse wethouder van kunst- en geldzaken, A. van den Berg af naar aanleiding van recent ontdekte tekorten bij het Gemeentemuseum.

Voor de betrokkenen, in deze gevallen oudgedienden in de politiek van hun woonplaats, zijn dergelijke dramatische stappen altijd pijnlijk, maar zij hebben het onmiskenbare voordeel dat zij duidelijk maken hoe de verhoudingen horen te liggen, en kennelijk ook liggen.

Als een politieke ambstdrager zich tussentijds genoopt ziet af te treden, hoeft dat allerminst te betekenen dat zo iemand niet deugt in het persoonlijke vlak. Meestal neemt hij of zij de verantwoordelijkheid voor fouten die zijn gemaakt in het ambtelijk apparaat, of in de samenwerking tussen college en apparaat. In de persoon van de vertrekkende wethouder rekent de bevolking af met misverstanden of onbekwaamheden bij alle betrokkenen. Zo zijn de regels en zo loopt het spel. Even goed in de landelijke politiek als op gemeenteniveau.

Het zijn basisafspraken in de democratische rechtsorde waarover de laatste jaren meer verwarring dan duidelijkheid is ontstaan. Dat heeft te maken met een gegroeid klimaat van staatkundig pragmatisme dat van opportunisme moeilijk te onderscheiden is.

Voor die ontwikkeling is onze minister-president niet in zijn eentje aansprakelijk. Hij heeft er - waarschijnlijk onbewust - wel inspiratie voor geleverd. Zijn grote kans in de Nederlandse politiek kwam na de jaren van het sociale laboratorium onder Den Uyl en het bistro-bestuur van Van Agt en Wiegel. Het land was rijp voor doeners. Lubbers belichaamde zowel ons verzuilde verleden als de verfrissende wereld van jonge en toch idealistische ondernemers. Reagan-Thatcher met een geweten. Hij kon de gewenste no nonsense-mentaliteit met veel creatieve extra's leveren. De prijs waartegen begint pas duidelijk te worden.

“Gedurende die tien jaar heeft de stijl van Lubbers zich min of meer opgelegd aan het Nederlandse politieke leven”, schrijft Christophe de Voogd in zijn net verschenen Histoire des Pays Bas. “Ondanks een weinig aangename stem en een - om tactische redenen? - ontoegankelijke betoogtrant, wekt de minister-president in Nederland en daarbuiten een grote sympathie, dankzij zijn levendigheid en humor die gunstig afsteekt bij de grijsheid van het merendeel der Nederlandse politici.”

In die paar zinnen staat de kern van het enigma-Lubbers. Daar is op zichzelf al het nodige over gezegd, maar het is vervelender de keerzijde ervan aan te duiden, daarom gebeurt dat zelden. Hij heeft ogenschijnlijk zo veel vastzittende karren vlot getrokken, zo veel bruggen gebouwd waar de traditionele oevers te ver van elkaar lagen. Maar hij heeft in zijn streven naar oplossingen, èn macht, ook dikke nevel verspreid.

Veel staatkundige verhoudingen, die in het geaccumuleerde staatsrecht in de loop van veel jaren op een betrekkelijk evenwichtige wijze zijn geregeld, werden in een net even wat minder helder daglicht geplaatst. Opzettelijk of niet, het doet er niet zo veel toe. In de doenerige realiteit van de drie kabinetten-Lubbers telt het resultaat meer dan procedure. Ook wel handig binnen de verstroopte verhoudingen in een land dat het conflict zo vreest als Nederland. Maar het ondergraaft de fundamenten van de democratische rechtsstaat.

Of het nu gaat om "Schengen' of strafkampen voor hopeloze jongeren, het met een waterval van subsidie-regels doordrukken van de krankzinnige schaalvergroting in het middelbaar en hoger beroeps-onderwijs, of het afpakken van verzekerde rechten bij "nieuwe' WAO-gevallen, in de roes van resultaatgerichtheid dreigt het vanzelfsprekende respect voor rechtmatigheid in overheidsdenken en -doen verloren te gaan. Degenen die opkomen voor rechten van individuën én rechtmatig handelen, roepen in een woestijn van lacherigheid. Zeker als een Kamermeerderheid ja knikt.

In de gemeentepolitiek viert dit syndroom hoogtij. Het apparaat is in de meeste steden groot, kwalitatief niet sterk maar wel oppermachtig tegenover het legertje amateurs dat als raadsleden de burger vertegenwoordigt. Wethouders opereren als beroeps-amateurs in het niemandsland tussen ambtenaren en raad. Velen ontgaat in dat vacuüm hoe eenvoudig en zuiver de Gemeentewet de taken verdeelt.

Vandaar dat wethoudster Van den Berg in Den Haag, hoe correct ook afgetreden, het met verbale steun van de raad niet kon nalaten ex-museumdirecteur Fuchs de echte schuld toe te dichten - waar of niet, maar irrelevant. En vandaar dat burgemeester Peper wethouder Henderson maandag - gezien zijn positie - ten onrechte over de knie legde, en de boze wethouder het donderdag niet kon opbrengen fouten te erkennen en zich verdedigde met allerlei gênante en niet ter zake doende anekdotes uit het coalitieverkeer aan de Maas.

Was het toeval dat PvdA-voorzitter Rottenberg deze week het complete gemeentelijk staatsrecht ter discussie stelde? Daar is van alles over te zeggen. Maar zolang het bestaande recht à la carte wordt geconsumeerd, maakt een nieuw menu voor de gemeentelijke democratie weinig kans.