Vissen met lichtflitsen en geluid spaart de zeebodem

IJMUIDEN, 20 MAART. Ir. F.A. Veenstra van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO) in IJmuiden wil niet beweren dat hij met collega D. de Haan het ei van Columbus heeft ontdekt, maar nieuw is hun gezamenlijke vinding wel. Ze ontwierpen een milieuvriendelijke techniek als alternatief voor de huidige boomkorvisserij, waarbij met zware kettingen de bodem wordt omgewoeld.

Bij de methode Veenstra-De Haan zijn de kettingen vervangen door een combinatie van laagfrequente geluidstrillingen en lichtflitsen. Die flitsen moeten de platvis, die zich ingraaft in het zand, opschrikken en de netten indrijven. De geluiden zijn bedoeld om kabeljauw te verjagen, een soort die juist niet in de netten mag komen, omdat de kabeljauwstand de laatste jaren schrikbarend is geslonken.

Het nieuwe systeem moet nog uitvoerig op zee worden beproefd. Dat gebeurt vanaf eind mei met het onderzoeksschip Tridens. “Zo moeten we zien uit te vinden of deze techniek ook commercieel toepasbaar is”, aldus Veenstra, die naar zijn zeggen al gunstige reacties uit de bedrijfstak heeft ontvangen: “Kramer van de Urker visserijbelangen heeft me een borrel beloofd als het lukt.” De enige sector die zich verre van gelukkig met de plannen toont, is die van de kettingleveranciers. Veenstra: “Geloof me, daar wordt behoorlijk gebaald.”

De boomkorvisserij is in Nederland zowel qua omvang als omzet de belangrijkste visserijtak. Ze wordt beoefend met ruim 500 Noordzeekotters (motorvermogen gemiddeld 1.500 pk), die elk twee boomkornetten achter zich aanslepen. Zo'n net is verzwaard met een complete "ijzerwinkel' van circa negen ton, waaronder die kettingen of "wekkers', die de bodem afschrapen om de platvis uit het zand te trekken.

Eind vorige eeuw werd dit principe al door Engelse vissers in baaien toegepast. In Nederland raakte het systeem later bij garnalenvissers op de Waddenzee in zwang en sinds de jaren zestig heeft de boomkor ook de Noordzee veroverd. Tot verdriet van de milieubeweging, die deze vorm van visserij als een ernstige aanslag op het zeemilieu beschouwt.

Over de mate waarin de kotters met hun kettingen het bodemleven verstoren of regelrecht vernielen, zijn de meningen verdeeld. Veenstra: “Vissers hoor je wel beweren dat ze, net als de boer, het land omploegen en op die manier voor nieuw leven zorgen. Maar zo is het natuurlijk niet. Aan de andere kant overdrijft een organisatie als Greenpeace als ze beweert dat de kettingen tot twintig centimeter diep de bodem ingaan. Uit onze onderzoekingen blijkt dat het gemiddeld vijf centimeter is. Maar ook bij vijf centimeter raakt de bodemfauna beschadigd. Als zo'n ketting een schelpdier raakt, is het "pats' en een zee-anemoon zegt "knak'. Daar is niet aan te ontkomen.”

Vijf jaar geleden begonnen hij en De Haan namens het RIVO hun speurtocht die de combinatie van lichtflitsen en geluidsgolven opleverde. Daarbij maakten ze dankbaar gebruik van andermans bevindingen. Veenstra: “We zijn gevoed met fundamentele kennis uit bijvoorbeeld Schotland, waar biologen al jaren onderzoek doen naar de reacties van verschillende vissoorten op het vistuig. Ook in Noorwegen zijn dit soort experimenten gaande. Wat wij in feite hebben gedaan, is twee afzonderlijke ideeën combineren in één systeem en dat zou je eventueel het ei van Columbus kunnen noemen.”

Hiervoor wordt de RIVO-onderzoekers van diverse kanten lof toegezwaaid, maar dat is wel eens anders geweest. Veenstra: “Toen we er destijds mee begonnen, was hoon ons deel. Dat we nu hoofdzakelijk support krijgen, komt omdat de noodzaak een milieuvriendelijk middel te ontwikkelen, de laatste jaren zoveel groter is geworden.”

Een ander alternatief voor de klassieke, vernielzuchtige boomkor is de elektrische visserij op platvis. Daarbij worden de kettingen vervangen door twee elektrodes die een spanningsveld creëren om schol en tong licht te verdoven en zo uit de bodem te krijgen. In de jaren tachtig onderzocht het RIVO de mogelijkheden van dat systeem. Niet om het bodemleven in de Noordzee te ontzien, maar om brandstof te besparen, want elektrisch vissen zou aanzienlijk minder motorvermogen vergen dan het gesleep met kettingen.

In 1988 had het RIVO haar onderzoek voltooid en het systeem geschikt verklaard voor praktische toepassing. Het mocht echter niet doorgaan van de minister, destijds Braks, die daar twee redenen voor aanvoerde: de brandstofprijzen waren gekelderd en er zou te veel tong, een rijkelijk overbeviste soort, worden binnengehaald.

Hoewel het verbod nog altijd van kracht is, krijgt het elektrisch vissen weer een kans. Een particulier bedrijf in Zeeland wil het systeem opnieuw introduceren en heeft van Economische Zaken subsidie voor nader onderzoek gekregen. Een verschil met de jaren tachtig is dat anno 1993 niet de brandstofprijs als argument dient, maar het belang van het mariene milieu.

Dit alles betekent dat er nu twee concurrerende methodes op de markt zijn om de sleepkettingen uit te bannen: de “elektrische platvisstimulering” en de akoestische techniek met lichtflitsen volgens Veenstra en De Haan.

Deze onderzoekers slaan hun eigen vinding voorlopig het hoogst aan. “Ons systeem” zegt Veenstra, “heeft als belangrijk extra voordeel dat ongewenste bijvangst aan kabeljauw wordt vermeden. Het is bovendien milieuvriendelijker dan elektrisch vissen, want die elektrodestaven bestaan uit een koperlegering en koper is schadelijk voor de waterkwaliteit.”