TAFERELEN UIT DE OERTIJD

Scenes from Deep Time. Early Pictorial Representations of the Prehistoric World door Martin J. S. Rudwick 280 blz., University of Chicago Press 1992, f 111,45 ISBN 0 226 73104 9

Welke aanblik bood de wereld in het tijdperk van de dinosauriërs? Wat was het uiterlijk van de flora en fauna 250 miljoen jaar geleden? Hoe zag een koolbos eruit tijdens het Carboon?

Het is eigenlijk verwonderlijk dat wij ons zonder moeite zulke pre-menselijke taferelen kunnen voorstellen. Iedereen die wel eens een museum voor natuurlijke historie heeft bezocht of een boek over fossielen heeft doorgebladerd, herkent de oerwereld onmiddellijk. Er bestaat ontegenzeglijk zoiets als een collectief beeld van het vroegere leven op aarde, een toestand waarvan geen getuigen zijn maar die toch als bijna concrete werkelijkheid op ons netvlies is gebrand.

Dat komt doordat de oerwereld al lang door anderen is verbeeld. Sinds de negentiende eeuw tonen de opstellingen in de musea uitgestorven dieren en planten in ecologische ensembles, volgens de laatste stand der wetenschap. Boek- en plaatwerken over evolutie doen hetzelfde in het platte vlak. Zelfs tot in moderne tekenfilms en stripverhalen is het prehistorische landschap doorgedrongen, zij het niet altijd even verantwoord (veel vroegere Flintstones-kijkers denken bijvoorbeeld nog altijd dat mensen en dinosauriërs in het zelfde tijdperk leefden).

Aanschouwelijke voorstellingen van het verre prehistorische verleden zijn dus een vertrouwd onderdeel van onze cultuur. Maar dat is niet altijd zo geweest: de traditie is een keer begonnen. Ooit hebben illustrators zich voor het eerst tot taak gesteld om geologische en paleontologische kennis om te zetten in complete landschappen; fragmentarische wetenschappelijke reconstructies te vertalen in bedrieglijk realisme, kortom, werelden te verbeelden die nooit door mensenogen zijn gezien.

In Scenes from Deep Time schetst Martin Rudwick, 's werelds meest vooraanstaande historicus van de paleontologie, het ontstaan en de vroege ontwikkeling van dit genre. Aan de hand van meer dan honderd, vaak zeldzame en meest zeer fraaie illustraties schetst hij hoe het omstreeks 1830 werd uitgevonden, zich vervolgens snel ontwikkelde en rond 1860 tot volle wasdom kwam. Opmerkelijk bij deze tak van "wetenschappelijk toegepaste kunst' is, dat de artistieke conventies van de oertijd-illustratie in die luttele decennia werden gevestigd en sindsdien in wezen niet meer zijn veranderd. Alle latere reconstructies - zelfs die in onze tijd - grijpen terug op de kunstenaars van het eerste uur. Rudwicks boek is daardoor meer dan alleen maar een inventarisatie van vroege oertijd-illustraties. Het laat zien uit welke antecendenten ons huidige beeld van het geologisch verleden is ontstaan.

VOOR DE ZONDVLOED

De ontdekking van de "diepe tijd', het inzicht dat de aarde onmetelijk veel ouder is dan onze historische tijdrekening, vond plaats in de achttiende eeuw. Omstreeks 1800 was duidelijk dat er in het geologisch verleden vele dier- en plantesoorten moesten hebben geleefd die sindsdien waren uitgestorven. Voor het eerst begon men te beseffen dat de aarde er vroeger heel anders had uitgezien. Maar hoe dan wel? Welke voorstelling moest men zich van die "wereld voor de zondvloed' maken?

De beroemde Franse vergelijkend-anatoom Georges Cuvier (1769-1832) was een van de eersten die de kunst verstonden om op grond van fossiele botten conclusies te trekken hoe uitgestorven dieren eruit hadden gezien. Om te beginnen maakte hij reconstructies van de complete skeletten, daarna vulde hij deze op met spieren voor een globale indruk van de lichaamsvorm. Cuvier liet een fraaie schets in manuscript na van het uitgestorven zoogdier Anoplotherium commune uit het Eoceen (ongeveer 54 tot 38 miljoen jaar geleden), waarvan hij de fossiele resten had opgegraven onder het Parijse Montmartre. Het dier is afgebeeld in een levensechte pose, compleet met ogen en oren.

Toch heeft Cuvier deze en dergelijke schetsen nooit willen publiceren, en dat is geen toeval. In de tweede editie van zijn monumentale Recherches sur les ossements fossiles uit 1822 komen slechts een paar simpele afbeeldingen van zijn assistent voor, waarop alleen de lichaamscontouren van gereconstrueerde zoogdieren uit het Eoceen te zien zijn. Verder wilde Cuvier niet gaan, want de vergelijkende anatomie was een serieuze wetenschap waarin geen plaats was voor ijdele speculatie. Complete dieren afbeelden, laat staan groepen dieren in een landschap, was anathema. Andere paleontologen en geologen uit het begin van de negentiende eeuw dachten er al net zo over.

EVOCATIE

Het genre van de "oertijd-visualisatie' kon dus alleen maar ontstaan in de marge van het wetenschappelijk bedrijf. Twee afbeeldingen, een uit 1822 en een uit 1830, speelden daarbij een cruciale rol. In 1822 beschreef de Britse geoloog William Buckland hoe een grot met fossielen die hij in Yorkshire had ontdekt, bevolkt moest zijn geweest door hyena's. In gloedvolle bewoordingen schetste hij wat er zich allemaal in de grot moest hebben afgespeeld aan prehistorisch dierenlief en -leed. Zo'n verbale evocatie van het verleden ging wetenschappelijk gezien nog wel door de beugel. Toch was niet iedereen overtuigd. Als snerend commentaar publiceerde een van Bucklands collega's, Willliam Daniel Conybeare, een anoniem schotschrift, bestaande uit een gedicht en een lithografische cartoon.

In het hekeldichtje werd Bucklands werk ironiserend de hemel in geprezen, en op de cartoon werd zijn beschrijving van de grot geridiculiseerd. De prent laat niet alleen de grot met de hyena's zien, maar ook Buckland zelf die met een kaars in zijn hand naar binnen kruipt. Deze eerste grafische weergave van een prehistorisch tafereel is dus een interessant anachronisme: de geoloogmaakt deel uit van de scène die hij zelf heeft gereconstrueerd.

De werkelijke grondlegger van het genre is een andere Britse geoloog, Henry Thomas De la Beche (1796-1855). Deze liet in 1830 een prachtige litho vervaardigen van het leven in de tijd van het "Lias' (het late Trias, rond 190 miljoen jaar geleden), de tijd van de ichthyosauriërs, de plesiosauriërs en de pterodactylen (vliegende reptielen, tegenwoordig pterosaurussen genoemd). Ook deze illustratie, met de naam Duria antiquior ("Het oudere Dorset'), werd uitdrukkelijk niet gepresenteerd als wetenschappelijk. Het was slechts een commerciële prent die geen andere bedoeling had dan de befaamde fossielenverzamelaarster Mary Anning uit Lyme Regis uit haar financiële nood te helpen.

Duria antiquior is echter een mijlpaal. De afbeelding was niet alleen vernieuwend omdat voor het eerst een compleet prehistorisch landschap werd uitgebeeld, maar ook omdat een optisch perspectief werd toegepast dat pas vele decennia later algemene navolging zou krijgen. De blik op het oertijd-landschap was getekend vanuit een amfibisch gezichtspunt, dat wil zeggen zowel onder als boven water. Een revolutionaire invalshoek, gezien het feit dat pas twee decennia later het aquarium zou worden uitgevonden.

Ook opvallend in deze pre-Victoriaanse prent is dat het meest in het oog springende dier, een zwemmende plesiosaurus die door een ichthyosaurus in de nek wordt gebeten, uitwerpselen naar de bodem laat vallen. Het is een vleugje natuurhistorisch realisme dat in taferelen later in de eeuw preuts werd weggelaten.

Nog steeds ging het hier echter om een buitenwetenschappelijke gelegenheidsuitgave en niet om een visuele samenvatting van de stand der kennis. Binnen de geologische gemeenschap bleef er een grote aarzeling bestaan om zulke speculatieve reconstructies te publiceren.

PUBLIEK

Toch had Duria Antiquior verstrekkende gevolgen. De prent werd onmiddellijk gekopieerd en verspreid in boeken (ook kinderboeken!) en tijdschriften voor het geïnteresseerde lekenpubliek. Bovendien begonnen prehistorische voorstellingen steeds vaker de titelpagina's te sieren van serieuze geologische werken - buiten de tekst let wel, en dus immuun voor elke kritiek.

In een Franse Dictionnaire pittoresque d'histoire naturelle (1834-39) verscheen zelfs een gekleurde versie van de prent van De la Beche. Uiteraard bestond voor de kleurkeuze van de diverse dieren geen enkele wetenschappelijke grond. Maar omdat de voorstellingen met uitgestorven dieren er even natuurgetrouw uitzagen als die op moderne natuurlijke-historieplaten, drong bij het publiek wel het besef door dat de plesiosaurussen ooit even echt waren geweest als koeien en paarden in de wei.

Rond 1840 was het genre in de populaire literatuur stevig gevestigd. Maar vrijwel altijd beeldden de prenten slechts één tafereel af uit één tijdperk, meestal het "Lias' van de ichthyosaurussen. Men schreef over "the ancient world', 'l'ancien monde' en "die Urwelt', en verzuimde onderscheid te maken tussen verschillende geologische perioden. Dit ondanks het feit dat het onder geologen al lang bekend was dat de opeenvolgende aardlagen geheel andere fossiele fauna's en flora's bevatten.

BIJBELSE TRADITIE

De eerste auteur die een systematische poging deed om de opeenvolging van geologische tijdperken in een reeks taferelen te vangen, was de Oostenrijkse botanicus Franz Xavier Unger (1800-1870). Deze publiceerde in 1851 Die Urwelt in ihren verschiedenen Bildungsperioden, een schitterende folio-atlas de luxe met veertien litho's door de begaafde illustrator Josef Kuwasseg (1799-1859) en een bijbehorende verklarende brochure. De atlas kwam tot stand door nauwe samenwerking tussen Unger en zijn kunstenaar, wiens creatieve oplossingen in het voorwoord uitvoerig worden geprezen.

Ungers Urwelt legt, gezien de achtergrond van de auteur, sterk de nadruk op de plantenwereld. De prentenreeks begint bij de "Overgangsperiode' die aan het Carboon vooraf ging (ongeveer 360 miljoen jaar geleden), het vroegste tijdperk waarvan volgens Unger genoeg fossiel materiaal bestond voor een reconstructie. De laatste scène is gewijd aan de "periode van de huidige wereld', en toont behalve een overdadige vegetatie en wat paarden een lelieblank menselijk gezinnetje. Deze prent grijpt direct terug op de lange voorstellingstraditie van mensen in het paradijs zoals die in Europa al sinds de middeleeuwen bestond.

Die Oud-Testamentische invloed is niet toevallig, betoogt Rudwick in zijn boek. De beeldtaal waarin Kuwasseg en andere illustratoren hun prehistorische werelden gestalte gaven, is volgens hem een samensmelting van twee eeuwenoude tradities: die van de natuurhistorische en die van de bijbelse illustratie. Voorstellingen van het scheppingsverhaal vormden het enige precedent voor weergaves van het voormenselijke verleden. Ze toonden series woeste landschappen zonder dieren en planten, waar dan als in een stripverhaal telkens nieuwe bewoners bijkwamen. De opeenvolgende scheppingsdagen transformeerden tot snapshots uit belangrijke geologische tijdvakken.

Het is daarbij interessant dat Unger (net als de meeste van zijn collega's) in de taferelen van de oer-werelden neutraal stond tegenover het oprukkende evolutionaire denken. Ze lieten alle ruimte voor een evolutionair-Darwinistische interpretatie, maar ook voor een meer traditionele theologisch-correcte uitleg in de trant van "speciale creatie'.

HISTORISCH DINER

Na 1850 groeide bij het publiek de populariteit van het genre der prehistorische afbeeldingen. In Engeland was dat voor een groot deel te danken aan de activiteiten van de beeldhouwer en illustrator Benjamin Waterhouse Hawkins (1807-1889). Op aanwijzingen van de befaamde vergelijkend anatoom Richard Owen vervaardigde Hawkins enorme modellen van uitgestorven reptielen voor een permanente opstelling bij Crystal Palace. In 1854 vond ter gelegenheid van de opening een historisch diner in Hawkins model van de iguanodon plaats, met Owen (letterlijk) aan het hoofd. De warme publieke belangstelling voor de voorwereldlijke monsters leidden een heuse dino-rage en de eerste meeneem-modellen vonden gretig aftrek.

Uiteindelijk bereikte de visualisering van het prehistorische landschap het hoogtepunt in een tweede reeks taferelen à la Unger (maar nu met veel meer aandacht voor de dieren), in het boek La terre avant le Déluge uit 1863 van de Franse wetenschapspopularisator Guillaume Louis Figuier. De kopergravures door de landschapsschilder en illustrator Edouard Riou laten de geschiedenis van het leven op aarde in meer stadia en in groter detail zien dan ooit. Het succes was verpletterend. Figuiers boek werd in vele landen vertaald en de platen werden in Duitsland gebruikt voor een soortgelijk werk met de titel Vor der Sündfluth!

Figuier begon zijn reeks met een beeld uit de tijd van het ontstaan van het leven zelf: de "condensatie en regenval op de primitieve aardbol'. De serie loopt evenals die van Unger uit in de verschijning van de mens. Twee afbeeldingen van de zondvloed versterken nog eens deze verbinding met de traditie van de bijbelse illustratie, en verklaren waarom deze wijze van afbeelding vrij was van controverse en probleemloos kon wortelen in de geesten van het negentiende-eeuwse publiek.

Het was de eeuw van het vooruitgangsgeloof, een tijd waarin de mens dank zij de industriële en wetenschappelijke revoluties volledig greep begon te krijgen op zijn omgeving. Het in kaart brengen van het geologisch verleden was van die expansieve activiteit een vanzelfsprekend onderdeel.

Natuurlijk bevatten de prenten van De la Beche, Kuwasseg, Hawkins en al hun tijdgenoten vele "fouten' en witte vlekken die door de wetenschap inmiddels allang zijn achterhaald en ingevuld. Het zou met de paleontologie bedroevend gesteld zijn als dat na anderhalve eeuw accumulatie van nieuwe kennis niet het geval zou zijn. Prehistorische reconstructies, die van nu net zoals die van toen, zijn een soort getekende hypotheses gebaseerd op fragmentarisch bewijsmateriaal en barstensvol theoretische veronderstellingen, en als zodanig altijd vatbaar voor weerlegging en verbetering.

Maar het opmerkelijke is juist, dat de vroege afbeeldingen in veel opzichten al zo "modern' aandoen. Ze zijn weliswaar stuk voor stuk naïef, grappig, aandoenlijk, romantisch of belerend en dus onmiskenbaar negentiende-eeuws, maar ze zijn tegelijk nog steeds zo overtuigend dat we ze zonder aarzeling herkennen als ons eigen beeld van de oerwereld.