STIJLVERSCHIJNSELEN

Handboek Verzorgd Nederlands door M. Klein en M. Visscher 398 blz., Martinus Nijhoff 1992, f 89,50 ISBN 90 01 47185 4

Op het voorplat luidt de ondertitel ”Spellingregels Schrijfadviezen', maar wie het Handboek Verzorgd Nederlands openslaat, ziet dat op de titelpagina de ”Schrijfadviezen' ineens in ”Stijladviezen' veranderd zijn. Beide termen blijken bij lezing van het boek licht misleidend. Schrijven doe je natuurlijk in een bepaalde stijl, maar zo hebben de samenstellers Maarten Klein en Marjan Visscher (respectievelijk hoofddocent moderne taalkunde aan de universiteit van Nijmegen en directeur van een taaladviesbureau) het kennelijk niet bedoeld. Want nergens zijn adviezen te vinden over het opstellen van een tekst of de stijlen waarin je dat kunt doen. Klein en Visscher beperken zich (op één uitzondering na) tot woorden, stukjes zin en losse zinnen.

Nou valt daar veel over te zeggen, dus op zichzelf is er niks tegen een dergelijke beperking. In feite hebben Klein en Visscher een soort sociaal handboek gemaakt: het behandelt precies die kwesties waarover het altijd gaat in discussies over slordig taalgebruik en het toenemend verval der zeden bij de jeugd. Wie ”impressario' schrijft of ””twee keer zoveel dan vroeger'' afficheert zich in sommige kringen nu eenmaal als ongeletterd en dom. Daar zijn misschien fantastische argumenten tegenin te brengen, maar het is een maatschappelijk gegeven. Wie geen last wil hebben van die sociale stigmatisering doet er dus verstandig aan zich goed te informeren op dit gebied.

Kan dat met dit Handboek? Wijst het inderdaad de weg aan ””iedereen die verzorgd Nederlands moet of wil schrijven'', zoals volgens het voorwoord de bedoeling is? En, bovenal, voegt het iets toe aan wat er al op de markt was? Aan de prijs en de chique, goedverzorgde uitvoering te zien, moeten we dit handboek liefst gaan beschouwen als een standaardwerk. Het is echter de vraag of daar genoeg reden voor bestaat.

WOORDENBOEK

De inhoud van het boek is in grote lijnen voorspelbaar. Welk type fout loopt het meest in het oog in een geschreven tekst? Juist, de spelfout. Het Handboek Verzorgd Nederlands opent dan ook met een deel spelling. De regels (het is ”Piets' of ”Renates' huis, niet ”Piet's' of ”Renate's'), daarnaast veel voorbeelden en nog meer uitzonderingen (”geweest' zou vanwege ”wezen' eigenlijk als ”geweesd' gespeld moeten worden - vergelijk ”verhuisd'; naast ”graven' heb je ”paragrafen', er bestaan wel ”critici' maar geen ”circi' enzovoort).

Achterin het boek staan bovendien meer dan tweeduizend woorden ””waarin een spellingmoeilijkheid voorkomt'', van ”a', ”a's', ”a'tje' via vreemd genoeg ondermeer ”f's', ”l's', ”r's', en ”z's' (”effen' is dacht ik toch met twee f'en en niet f's, en ”onmiddellijk' met twee l'en) tot ”zwanezangen'. Alles bij elkaar veel te veel om uit je hoofd te leren natuurlijk, en al zou dat je lukken, dan nog is je kennis niet compleet.

Een goed woordenboek is voor verzorgd Nederlands altijd onmisbaar: voor ongeveer twee tientjes is de dikke Prisma Nederlands van André Abeling te koop die ook afbreekpunten, verkleinvormen, vergelijkende trappen, meervouden en verbuigingen geeft. De regels waarop de spelling van het Nederlands gebaseerd is, zijn trouwens in talloze andere boeken te vinden. Bijvoorbeeld in Jan Renkema's Schrijfwijzer, een werk dat niet ten onrechte al jaren een hit is, en waartegen het Handboek hard zal moeten opboksen in de winkel.

Een antwoord op alle spellingsvragen biedt geen enkel boek. Zo wijden zowel Renkema als Klein en Visscher een hoofdstukje aan de soms lastige spelling van uit het Engels geleende werkwoorden, maar geeft niemand een oplossing voor de verleden tijd van woorden als ”deleten' en ”faden'. Toepassing van de regels die gegeven worden, levert de verwarrende vormen ”deletete' en ”fadede' op.

DEZER DAGEN

De meeste kwesties die in het tweede deel van het Handboek behandeld worden zijn ook al in Schrijfwijzer te vinden. ”Stijlverschijnselen' heet dat deel, en trouwe lezers van de column van J. L. Heldring in deze krant zullen veel oude bekenden tegenkomen. De ”Dezer Dagens' over taal- en denkfouten staan dan ook in de lijst met geraadpleegde literatuur, die voor het overige nogal willekeurig is en bovendien voor bijna de helft bestaat uit werk van samensteller Klein.

Fouten als ””na van zijn vakantie genoten te hebben nam God tot zich'', ””weer hervatten'' en ””in staat zijn iets te kunnen'', de ””niet in het minst-en'' die ””niet het minst-en'' hadden moeten zijn: alle klassieke gevallen zijn van de partij. Daarnaast gaat het ondermeer over ”dat of wat', ”hun of hen', en contaminaties (”opnoteren', ”dat kost duur' en vooral ook veel door elkaar gegooide uitdrukkingen zoals ”refereren naar').

Keer op keer blijkt echter dat vaste regels voor lang niet alles te geven zijn. Taalgebruikers hebben toch hun intuïties nodig. Bijvoorbeeld om iets aan te kunnen vangen met een ”probleemstelling' van Klein en Visscher als deze: ””De voltooide tijd vormen we in het Nederlands met behulp van de werkwoorden ”hebben' en ”zijn'. Bij sommige werkwoorden gebruiken we ”hebben,' en is ”zijn' onmogelijk, bij andere is dat net andersom'', en dan volgen er een paar bladzijden voorbeelden en twijfelgevallen. De praktijk is vaak dat je zelf moet kiezen op basis van je gevoel.

Ondertussen stellen Klein en Visscher zich, ook in de toon die ze aanslaan, behoorlijk normatief op: veel dingen zijn ronduit ”fout' of ”correct'. Behalve ineens als het gaat om ””iemand waarmee'' waarvan de schoolmeesters ooit bepaald hebben dat het ””iemand met wie'' moet zijn. Dat nu vinden de samenstellers ””gewoon onzin''. Omdat ”er' en ”daar' naar mensen kunnen verwijzen moet ”waar' in ”waarmee' dat ook mogen. Tja, er zijn wel meer schrijftaalregels waarvan niemand meer weet wie ze ooit waarom bedacht heeft, toch is de ”iemand-met-wie'-regel er ook zo een waarop bij overtreding sociale straf staat.

GRAMMATICAAL COMPENDIUM

Mijn grootste bezwaren tegen het Handboek hebben alles te maken met het derde deel: het grammaticaal compendium. Het wil er bij mij niet in dat je voor het schrijven van verzorgd Nederlands per se moet weten wat een voorzetselvoorwerpszin en een bepaling van gesteldheid zijn. Zeker, enige basiskennis van ontleden is nodig: je moet bijvoorbeeld het onderwerp van een zin kunnen vinden, want dat hoort in overeenstemming te zijn met de persoonsvorm, die je dus ook moet kunnen thuisbrengen. Ook is het soms nuttig om een lijdend van een meewerkend voorwerp te kunnen onderscheiden, bijvoorbeeld om de goede samentrekkingen te maken. Maar erg veel verder dan dat hoeft het echt niet te gaan.

Dat compendium vormt bovendien de smoes voor ontoegankelijke zinnen als ””In tweeledige werkwoordelijke groepen met een infinitief ligt de zaak iets anders'', en ””Verder gebruiken we ”welk(e)' als het onderdeel uitmaakt van een zelfstandig-naamwoordsgroep die aan het begin van een bijvoeglijke bijzin het antecedent herhaalt''.

Ik denk dat Klein en Visscher eerlijk menen dat je het zonder al die terminologie niet echt goed uit kunt leggen, maar daarmee schieten ze hun doel voorbij. Ze schrikken juist degenen af voor wie dit boek uitkomst zou moeten bieden. De beperktere aanpak van Renkema, die veel minder formeel schrijft en vaak goede, pakkende voorbeelden heeft gevonden, is mij dan veel liever.

Renkema speelt ook met zijn stof. Een stukje over het afraden van de lijdende vorm schrijft hij geheel in de lijdende vorm om te demonstreren dat dat zo erg nog niet is. Daarnaast wijdt hij wél een kort maar krachtig hoofdstuk aan stijl, en ook over ”opbouw' en ”leesgemak' beweert hij veel zinnigs. Nog een voordeel: zijn boek kost de helft van dat van Klein en Visscher. Voor het Handboek spreekt, naast de uitstekende index, weer de lijst van buitenlandse namen die achterin het boek staat. Dat kan goed van pas komen, en Peking heet tenminste gewoon Peking en geen Beijing.