Smeergeld glijmiddel van economie Italië

Koppen van Italiaanse politici en ondernemers rollen nu steeds meer smeergeldschandalen aan het licht komen. Italië moet de sanering van zijn politieke en economische systeem vieren als een bevrijding, vindt top-ondernemer De Benedetti.

Iri, Fiat, Eni en Ferruzzi zijn de vier grootste industriële groepen van Italië. Deze bedrijven hebben de nationale economie gedomineerd en internationaal gezien gezicht gegeven aan Italië als de vijfde industriemacht ter wereld. Nu zijn dezelfde bedrijven betrokken geraakt bij de smeergeldschandalen.

Volgens sommigen is dat logisch, een aanpassing aan de geldende regels. “In sommige sectoren móést je wel de portefeuille trekken als je wilde blijven werken”, zegt textielfabrikant Giordano Zucchi. Steekpenningen waren “een soort belasting die je moest betalen om je groep te laten groeien,” aldus Giulio Sapelli, docent economie aan de universiteit van Milaan.

Maar de schrijver Paolo Volponi, en velen met hem, zeggen dat veel ondernemers eerder medeplichtige dan slachtoffer zijn. Ondernemers en politici “hebben dezelfde verantwoordelijkheid, want ze hebben steeds samengewerkt, ze hebben steeds hand in hand gelopen,” aldus Volponi.

De smeergeldaffaire heeft voor iedereen de rot in het politieke systeem zichtbaar gemaakt. Maar sinds een maand geleden de derde man van Fiat werd gearresteerd, gevolgd door vier topmensen van de staatsholding ENI, wordt steeds duidelijker dat de steekpenningen ook grote delen van het economische leven hebben aangetast.

Staatsbedrijven zijn door partijen gebruikt als geldbron. De betaalde steekpenningen zijn niet terug te vinden in de boeken, en dat doet twijfels rijzen over de boekhouding van staatsbedrijven die moeten worden geprivatiseerd. Veel bedrijven zouden internationaal sterker staan als ze niet zo lang in een door smeergeld beschermde omgeving hadden geleefd. Een deel van het overheidsgeld is weggegooid: hoeveel overbodige fabrieken zijn er gebouwd, hoeveel wegen van niets naar nergens alleen maar omdat ze een nieuwe bron van smeergeld waren?

Naar schatting zeven procent van het begrotingstekort, dat als een zwaard van Damokles boven de verdere integratie van Italië met de rest van de Europese gemeenschap hangt, is terug te voeren op het betalen van smeergeld. Bijna altijd hebben de bedrijven de steekpenningen doorberekend in een hogere prijs aan de overheid, zodat uiteindelijk de belastingbetaler het slachtoffer is geworden.

Binnen het Italiaanse bedrijfsleven is het beeld populair van een dynamische, hardwerkende klasse van ondernemers die moet opboksen tegen een inefficiënte, bureaucratische en corrupte overheid. Soms is dat een juiste weergave, zeker waar het om de enorme groep kleine en middelgrote edrijven gaat die niet echt een vuist kunnen maken. De kleine Milanese ondernemer die een jaar geleden met zijn aanklacht het smeergeldschandaal aan het rollen heeft gebracht, was zeker een slachtoffer. Maar andere bedrijven hebben op grote schaal geprofiteerd. Met hun steekpenningen kochten zij zekerheid en is de concurrentie buitenspel gezet.

“Geconfronteerd met een politieke klasse die corrupt is, heeft de industrie daarvan geprofiteerd,” zegt Giuseppe Turani, economisch commentator van La Repubblica. “Zij heeft zich snel aangepast en steekpenningen gegeven om een hogere prijs te kunnen vragen. De ondernemers waren altijd bereid te betalen.”

Pag.14: Overheidscontracten in ruil voor een koffertje vol bankbiljetten

We moesten wel, zegt Enzo Papi, een topmanager van het bouwbedrijf Cogefar-Impresit, onderdeel van de Fiat-groep. Tegen de Milanese rechters die hem hebben gearresteerd wegens corruptie heeft hij verteld dat hij in Milaan werd geconfronteerd met een systeem waarin voor alle openbare werken smeergeld moest worden betaald, verdeeld over de socialisten, de christen-democraten en vaak wat kleine partijen. Wie niet meedeed, viel af, en Papi zei dat hij dat zijn bedrijf niet kon aandoen. Hij heeft de rechters verteld dat hij aanvankelijk heeft geweigerd te betalen, maar het antwoord was “dat de partijleiders door de toewijzing van openbare gelden werkgelegenheid schiepen voor de bedrijven”. Dat dit geld uiteindelijk uit de schatkist komt, was volgens Papi een tegenwerping die niet werd gewaardeerd.

Maurizio Prada, een advocaat, is een van de christen-democraten die door topmanagers van Cogefar is beschuldigd van afpersing. Hij heeft daarop fel gereageerd. “Ik kan niet accepteren dat Fiat mij afschildert als iets wat ik niet ben, een afperser. Alles is mogelijk, behalve dat een van de grootste bedrijven ter wereld bij de keel wordt gehouden door een christen-democratische advocaat uit Milaan.”

Ook onder ondernemers zelf wordt schoorvoetend erkend dat soms graag is betaald. “In sommige gevallen zullen ondernemers vrijwel gedwongen zijn om steekpenningen te betalen, maar in veel andere gevallen heeft het perverse mechanisme het hen mogelijk gemaakt de regels van de markt met voeten te treden,” erkent Ernesto Gismondi, ex-vice-president van de werkgeversorganisatie Confindustria.

Anderen vinden dat de ondernemers zich niet moeten verschuilen achter het argument dat ze werden gedwongen te betalen. “In het zuiden verzetten duizenden kleine ondernemers zich tegen de mafia. Waarom zouden we dan aan wie groot en machtig is niet kunnen vragen waarom ze zich niet hebben verzet tegen de verzoeken van de politici, die bovendien niet schieten?”, vraagt Luciano Violante, president van de parlementaire anti-mafiacommissie. Betalingen vanuit het bedrijfsleven aan de politiek zijn er altijd geweest. Direct na de oorlog kregen de regeringspartijen financiële steun van de werkgeversorganisatie Confindustria en van de elektriciteitsmaatschappijen, toen nog in particuliere handen. Toen de christen-democraten zich wilden bevrijden van deze banden en besloten hun eigen machtscentra in de samenleving te vormen, gebruikten zij daarvoor de grote staatsholdings IRI en ENI. Deze hebben in de jaren zestig en zeventig voor miljoenen guldens steun gegeven aan politieke partijen.

Florio Fiorini, de voormalige financiële directeur van ENI die nu in Zwitersland gevangen zit wegens het frauduleuze bankroet van zijn holding Sasea, heeft de Milanese justitie verteld dat de ENI in zijn tijd, van 1970 tot 1981, maandelijks een vast bedrag overmaakte: zo'n 200.000 gulden voor de christen-democraten, bijna hetzelfde bedrag naar de socialisten, en voor de kleinere republikeinen en sociaal-democraten ieder tegen de 50.000 gulden. Iedere maand weer.

In het geval van de ENI is dat niet ten koste gegaan van de winst, beweert Fiorini. Hij vertelt dat de partijen werden betaald uit de winsten van de speculatie met valuta, volgens hem in de jaren zeventig een getructe roulette waarmee je niet kon verliezen als je bij de club hoorde.

In de jaren tachtig hebben de partijen hun greep vergroot op de publieke sector van de economie, naar schatting goed voor vijftig procent van de totale economische activiteit, meer dan in enig ander Westeuropees land. Systematisch begonnen zij geld te vragen voor overheidscontracten, in de vorm van een koffertje vol bankbiljetten of een overmaking op een Zwitserse bankrekening - altijd afkomstig van een andere buitenlandse rekening, zodat de Italiaanse monetaire autoriteiten er geen lucht van konden krijgen.

“In Milaan is geen bloem geplant in een openbaar park zonder dat iemand daarvoor steekpenningen heeft ontvangen,” zegt Turani. “Zelfs in het Chicago van Al Capone was de controle niet zo groot, zo gedetailleerd. Overal is bij gestolen. En dat geldt voor heel het land. In Italië is geen meter openbare weg aangelegd, geen brug gebouwd, zonder dat er smeergeld is betaald.” Eerder deze maand hebben voormalige ambtenaren op het ministerie van Openbare werken verteld dat er vaak zoveel attaché-koffertjes vol geld binnenkwamen dat ze niet meer wisten waar ze die moesten laten.

Met name in de bouw, maar ook in veel andere sectoren hebben bedrijven een kartel gevormd dat de belangrijkste opdrachten onder elkaar verdeelde - zo kregen zij een garantie dat het betaalde smeergeld inderdaad tot de beloofde opdracht leidde. En doordat de contracten met steekpenningen werden geregeld, is in veel economische sectoren nooit een open concurrentie ontstaan. Plannen voor anti-trustwetten zijn systematisch tegengewerkt, totdat het er in 1990 wel van moest komen. Maar tot nu toe is het effect van die wet beperkt gebleven. “Sinds de eenwording van Italië hebben de industrielen steeds de bescherming van de staat gezocht, geholpen door een publieke opinie die te veel gewend is aan de Voorzienigheid om de harde eisen van de markt te aanvaarden”, zegt Saverio Vertone, commentator van de Corriere della Sera, een krant die traditioneel dicht bij de Milanese industrie staat.

Die hang naar bescherming heeft grote gevolgen gehad voor de scherpte van het management. “De zekerheid dat je steeds op een bepaald quotum van de opdrachten kon rekenen, het feit dat de markt in zekere zin werd getemd, heeft enorme schade veroorzaakt”, zegt Claudio Demattè, docent aan de Milanese Bocconi-universiteit. “De investeringen zijn vertraagd, vaak is de technologische vernieuwing achterwege gebleven, er is niet agressief geopereerd op de buitenlandse markten.”

Niet alleen heeft het smeergeld geleid tot een zekere luiheid en een misplaatst gevoel dat er niets kon gebeuren, bovendien zijn af en toe bedrijven om de verkeerde redenen groot geworden. Niet kwaliteit is gehonoreerd, maar het hebben van de juiste politieke ingangen. Binnen Italië werkt dat misschien, maar internationaal gezien veel minder.

Daarbij komt dat de staatsbedrijven vaak zijn gebruikt als een verlengstuk van de partij. In de jaren tachtig hebben de politieke partijen van de publieke sector van de economie “een eigen zakenwereld” gemaakt, op een aantal onderdelen gescheiden van de particuliere sector, zegt Innocenzo Cipolletta, algemeen directeur van de werkgeversorganisatie Confindustria. Verbetering van de internationale concurrentiepositie van de bedrijven had geen prioriteit, de partijen keken vooral naar de mogelijkheden een bedrijf als bron van invloed in de samenleving te gebruiken. Veel plannen voor samenvoeging van staatsbedrijven zijn bij voorbeeld stukgelopen op verzet van partijen die "hun' bedrijf niet wilden kwijtraken, ook al was er bedrijfseconomisch alle reden tot samenwerking.

Die politieke functie van staatsbedrijven bracht met zich mee dat de topmanagers persoonlijk moesten toezien op de smeergeldstroom. In de regel wilden politici alleen met het top van een bedrijf onderhandelen over de smeergeldstroom. Zij vreesden pottekijkers en wilden bovendien voorkomen dat een akkoord met een ondergeschikte van hogerhand teniet zou worden gedaan. Daarom moesten de topmanagers van de ENI een groot deel van hun tijd besteden aan genummerde bankrekeningen in Zwitserland en ingewikkelde financiële transacties ten gunste van de politieke partijen, tijd die waarschijnlijk beter besteed had kunnen worden. Dat topmanagers van staatsbedrijven vaak halve politici waren, vermindert meteen de economische gevolgen van de "onthoofding' van een groot aantal staatsbedrijven. Sommigen verwachten juist een positief effect daarvan: eindelijk krijgen de technici van het middenkader de ruimte om, zonder politieke beïnvloeding, het bedrijf op een zakelijke manier te leiden.

Carlo De Benedetti, president van Olivetti, heeft dan ook gezegd dat Italië het smeergeldschandaal moet vieren als een bevrijding. “Italië is zich aan het bevrijden van een systeem dat zijn ontwikkeling heeft belemmerd,” zegt De Benedetti. Er komt “lang onderdrukte energie” vrij, en de Italianen worden zich “bewust van de noodzaak dat ze zich moeten aanpassen aan de markt, in een land waar de markt praktisch niet meer bestond.”

De Benedetti en de werkgeversorganisatie Confindustria roepen daarbij in koor dat ernst moet worden gemaakt met de privatiseringsplannen. Meer markt betekent ook dat de politieke partijen hun enorme greep op de publieke sector moeten loslaten, en de beste garantie daarvoor is zoveel mogelijk te verkopen.

Om te onderstrepen dat het oude systeem definitief voorbij is, moeten er zo snel mogelijk nieuwe verkiezingen worden gehouden, vindt Luigi Abete, voorzitter van Confindustria. Uiterlijk in oktober, zei hij vorige week, en onder een nieuw kiesstelsel.

De onzekerheid en angst in Italië vormen een enorme domper op de economische activiteit. Het kabinet heeft voorgesteld het beslag dat op bouwputten is gelegd wegens corruptie ongedaan te maken, zodat het werk weer kan doorgaan. Maar het decreet daarvoor, het enige onderdeel van de "politieke oplossing' dat in brede kring is aanvaard in de samenleving, is in het parlement tegengehouden. In de bouw van publieke werken is deze verlamming het best zichtbaar, maar ook elders klagen ondernemers dat ze niet kunnen plannen in een onzeker en instabiel klimaat.

Volgens Abete zijn verkiezingen de enige manier om te voorkomen dat het smeerschandaal Italië volledig verlamt. “Als de Italiaanse economie niet in staat is mee te doen in de internationale opleving die voor dit najaar wordt verwacht, zullen onze industriële crisis en werkloosheid leiden tot een onherstelbaar verval”, zegt Abete.

Hij heeft bij herhaling geroepen dat de "oude' politiek definitief is afgeschreven. Over zijn eigen leden zegt Abete: “Er zijn bedrijven geweest die zijn bezweken voor afpersing. Andere hebben deze situatie willen gebruiken om te stelen. Ik vertrouw erop dat er meer bedrijven zijn die eronder hebben geleden dan die erop hebben verdiend.”