"Shit, ik heb wat verkeerds gezegd, nu trap ik iemand op de tenen'

Volgende week vrijdag is Richard Krajicek de leider van het Nederlandse tennisteam dat in Barcelona drie dagen voor de kwartfinale van de Davis Cup tegen Spanje speelt. Afgelopen week vond hij zijn vorm in Florida.

Zijn geslotenheid wordt maar al te vaak bestempeld als arrogantie, zijn onderkoelde gedrag als onverschilligheid. Maar het zijn mechanismen geworden om zichzelf onder controle te houden. Want eigenlijk is hij best openhartig en heeft hij wel zeker temperament. Eigenschappen die af en toe als kleine vulcanische uitbarstingen aan de oppervlakte komen. Alleen doen ze dan vaak zoveel stof opwaaien dat hij zich voorneemt het nooit meer te laten gebeuren. Daarom bouwt hij veiligheidsvoorzieningen in, een kooiconstructie die hem moet beschermen tegen zijn eigen eerlijkheid.

Lange vraaggesprekken staat hij niet meer toe. Zijn zaakwaarneemster Mickey Lawler van het sportmarketingbureau Advantage geeft het antwoord al voordat ze het verzoek aan hem heeft voorgelegd. Niet dat hij er zich te goed voor voelt, of dat hij de media minacht. Dat is het niet. Nee, hij kent zichzelf. Als ie een keer gezellig aan het praten is, zegt ie gemakkelijk verkeerde dingen. Glijden zijn hartekreten ineens als oncontroleerbare slippartijtjes door zijn betoog. Woorden waar hij wel voor in wil staan, waarvan hij het liefst niets terug zou nemen, maar die anderen zo pijnlijk treffen. Om die reden is hij bang voor zijn eigen openhartigheid. Een angst die alleen valt te beheersen als hij elk woord kan afwegen, elke bijzin tevoren kan overdenken.

“Ik heb wel eens drie uur met iemand zitten praten. Dan hadden we het over de meest verschrikkelijke dingen en dat wordt in de krant geschreven. Dan denk ik achteraf vaak: "shit, ik heb wat verkeerds gezegd. Daarmee trap ik iemand op zijn tenen'. Het is vervelend als je 's avonds in je bed ligt en denkt: "dat had ik anders moeten zeggen'. Soms probeer je het achteraf nog te herstellen, maar het kost allemaal veel tijd en veel energie. En uiteindelijk moet ik toch iedereen tevreden stellen.”

Sue Mott, sportverslaggeefster van de Sunday Times, prees Krajicek vorig jaar tijdens Wimbledon in haar krant voor zijn eerlijkheid toen hij had verklaard dat de meerderheid van de vrouwelijke tennissters vette varkens zijn die het niet verdienen op de belangrijke banen van een groot toernooi te spelen. Een uitspraak die hij zelf het liefst met terugwerkende kracht zou willen wissen uit het radio-interview waarmee het allemaal begon.

Terwijl haar mannelijke collega's van met name de boulevardbladen er een sappige verhaal van maakten en Krajicek aan de schandpaal nagelden, kwam zij tot de vaststelling dat het een verademing was om in het steriele wereldje van de tennissport eindelijk iemand te hebben die het hart op de tong draagt en geen voorgeprogrammeerde, voorspelbare antwoorden geeft. “Voor journalisten”, zegt de tennisser, “zal het zeker leuk zijn en misschien zijn er ook nog wel anderen die het prachtig vinden, maar degene die het zegt is de lul en het is toch vervelend als jij dat steeds zelf bent.”

Dus werd het een vraaggesprek in brokjes. In de playerslounge van het toernooi van Key Biscayne, waar spelers, coaches, zaakwaarnemers door elkaar heen krioelen, een bordje eten pakken, iets drinken. De eerste keer staand, waarbij hij de houding aanneemt elk moment weg te kunnen lopen naar iets oncontroleerbaar belangrijks. Later zittend, wat gezien het lengteverschil van 24 centimeter niet alleen aangenamer is voor de nekspieren van de vragensteller maar bovendien bijdraagt aan een wat meer ontspannen sfeer, die nu en dan zelfs wat op vertrouwelijkheid begint te lijken. Maar wel telkens van overzichtelijke lengte. “Ik moet me kunnen blijven concentreren op wat ik zeg...”

Hij heeft zijn draai gevonden, gaandeweg het toernooi een uitstekende vorm bereikt, Andre Agassi verslagen. De stemming wordt met de dag beter. Eigenlijk, zegt hij, heeft hij zijn hele houding veranderd. Beseft hij steeds meer dat dit niveau verplichtingen met zich meebrengt. Voor racketfabrikant Wilson is hij op de wereldranglijst na Stefan Edberg de tweede man en op toernooien vragen ze hem een keer een half uur in hun stand op het tennispark handtekeningen uit te delen. “Ik ging er altijd met tegenzin heen, maar ik heb nu de instelling dat het er bij hoort. Dat we samenwerken. Zij geven me alles wat ik wil, dan moet ik ook mijn medewerking verlenen.”

Vroeger viel hem dat moeilijk. Wist hij zich geen raad met al die belangstelling. Niet toegeven aan het feit dat hij een publiek figuur is: het was vooral een vorm van zelfprotectie. Om te voorkomen dat de aandacht te veel van de kern, het tennissen, zou worden afgeleid door handtekeningenjagers, toeristen die "even' met hem op de foto willen of zomaar een gesprek proberen aanknopen over zijn partij. Er is ook geen cursus voor, omgaan met populariteit. De ATP, de Associaton of Tennis Professionals, probeert er iets aan te doen, maar die korte opleiding is niet op maat gesneden.

Hij is 21 jaar, reist de hele wereld over, verblijft in de beste hotels, leeft in weelde, maar heeft nauwelijks een thuisbasis en kan er al helemaal geen normaal sociaal leven op na houden. Hoe onvergelijkbaar is dat met het bestaan van leeftijdgenoten in Nederland. “Materieel heb ik een heel goed leven, ik kan de dingen kopen die ik wil hebben... Ik heb onder mijn vrienden een paar studenten. Die hebben zo'n kleine studiebeurs, ik snap niet hoe ze daarvan rond kunnen komen. Ik was een keer bij iemand op bezoek die net een afschrift van de Postbank had gekregen. De studiefinanciering was nog niet binnengekomen en toen zei ze: "dit is wat ik heb voor de komende twee weken'. Het was, geloof ik, vier gulden zesendertig. Ze moeten een paar weken sparen als ze een nieuwe broek willen kopen.”

Maar de prijs die hij betaalt voor die materiele welstand is de voortdurende druk te moeten presteren. “Als zij voor een tentamen zakken kunnen ze het nog een keer over doen, als ik tegen Agassi op matchpoint sta moet ik de bal wel in slaan. Als je die kans verknalt weet je niet wanneer je nog eens tegenover hem komt. Lig je gelijk uit het toernooi.” Dat zij een rijker sociaal leven hebben laat hem koud. “Wat niet weet wat niet deert. Toen ik op school zat was ik ook niet echt iemand die zijn sociale contacten onderhield.”

Hij heeft weinig mensen nodig om zijn geheimen mee te delen, zijn zorgen mee te bespreken, zijn vreugde mee te vieren. “Er zijn er niet veel die me echt kennen. Hooguit twee.” Mensen die hij om zich heen heeft verzameld zijn ingehuurd om in dienst van zijn carriere werk te verrichten. Krajicek neemt persoonlijk de verantwoordelijkheid voor zijn nederlagen, maar eist ook volledig de overwinning voor zichzelf op. Toen de gasten van het televisieprogramma Match Barend & Van Dorp werd gevraagd allemaal iemand te noemen die het meeste had betekend in hun loopbaan weigerde hij een naam te geven. “Ik kies mijn mensen uit en als ik er niet tevreden over ben is het mijn schuld dat ik de verkeerde mensen heb aangesteld. Ik betaal ze voor wat ze doen, dus hoef ik ze ook niet speciaal te bedanken. Kijk, als ik een toernooi heb gewonnen en ik moet na afloop een speech houden dan noem ik ze natuurlijk wel in mijn dankwoord. Mijn trainer Rohan Goetzke en Ted Troost die me begeleidt. Maar om nou te zeggen die persoon heeft me helemaal gebracht... Er zijn zoveel mensen die er aan hebben bijgedragen: Ted, Rohan, de vroegere trainer Cees Houweling, mijn vader, mijn moeder. Maar uiteindelijk ben ik het die het moet doen. Die op de baan moet staan en zich net als hier helemaal kapot moet werken tegen de wind, tegen tegenstanders, tegen het publiek, tegen umpires. Dan sta ik toch in mijn eentje en niet met mijn coach naast me.”

Een eenzaam leven? Op momenten wel waarschijnlijk. Zoals begin dit jaar in Australie waar hij bijna elk toernooi opnieuw in de eerste ronde werd uitgeschakeld. Een kwelling als je net de top tien hebt bereikt, als er speciaal op jou gelet wordt. Daar moet je helemaal alleen uit zien te komen. Zelfs trainer Goetzke, bijna 365 dagen per jaar z'n gezel, kon hem er niet overheen helpen. “Hij was leeg”, zegt Goetzke, “er was niks met hem te beginnen. Je bent ingehuurd om hem op gang te houden, maar als dat niet lukt moet je het misschien maar zo laten. Wij zijn er om dingen te zeggen, maar soms ook om juist niks te zeggen. Na Australie kwam het weer terug. Ik merkte het op de trainingen. Hij stond weer met plezier op de baan.”

De oorzaak van zijn terugval valt moeilijk te reconstrueren. Was het de onverwachte tiende plaats op de wereldranglijst, die hij behaalde door zijn toernooizege in Antwerpen en die hem dwong zich nog eens op te laden voor de ATP-finale in Frankfurt, gevolgd door de Grand-Slamcup? “Misschien zijn er wel te veel dingen gebeurd aan het einde van het jaar”, denkt zijn trainer.

“Ooit was tennis mijn hobby, nu is het mijn werk en van dat werk raakte ik behoorlijk gefrustreerd. Ik heb twee maanden schade aan mezelf toegebracht.” Publicitaire schade was er in Rotterdam, waar hij in de eerste ronde van het ABN Amro-toernooi werd uitgeschakeld en vooral veel weerstanden opriep door dat verlies schouderophalend te verwerken. Opmerkelijk genoeg kreeg Andre Agassi donderdag na zijn verlies tegen Krajicek hetzelfde verwijt als de Nederlander in Rotterdam. Agassi noemde verliezen in eigen land "no big deal'. Maar hij herstelde zich nog bijtijds door er aan toe te voegen dat je er natuurlijk van moet balen, maar het ook zo snel mogelijk moet vergeten om het niet als loden last mee te torsen naar een volgend evenement.

De kritiek op zijn persoon heeft Krajicek leren accepteren. Ze mogen hem de grond inschrijven, verwensen voor zijn gedrag op de baan, zijn spel oninteressant noemen. Hij kan er mee omgaan. Het zijn gevoelens die anderen over hem hebben, die hij niet kan controleren. Het is hun subjectieve waarheid. Zolang het geen kwaadsprekerij is, gebaseerd op pertinente leugens, kan hij het verwerken. Daarvoor heeft hij een pantser van eigenzinnigheid ontwikkeld, dat hem er tegen beschermt. Hij weet toch hoe hij een nederlaag _ ook al is dat op het grootste toernooi in eigen land _ moet verwerken, hoe zwaar hij het moet laten wegen?

Zie het niet als dedain. Hij mag dan in Monaco wonen en dat appartement als zijn thuis beschouwen omdat het in tegenstelling tot de hotelkamers die hij beslaapt een plaats is waar verder nooit iemand anders dan hij verblijft, hij speelt graag voor zijn land, voor Nederland. Hij kent zijn verantwoordelijkheid echt wel. Vrijdag zal hij er staan als "aanvoerder' van het Davis-Cupteam. Spelen in de Davis Cup, dat betekent iets voor hem. “Dat speciale gevoel dat ik miste bij de Olympische Spelen heb ik wel altijd gehad met de Davis Cup en met Wimbledon. Spelen als team is af en toe heel leuk. Ik geef er toernooien in Azie voor op, toernooien waar ik punten te verdedigen heb omdat ik er vorig jaar, in Tokio, in de finale stond.”

Hij beschouwt de trage hardcourt-baan van Key Biscayne in Florida als een voortreffelijke voorbereiding en laat zich niet afschrikken door de verhalen dat de twee Spanjaarden Sergi Bruguera en Carlos Costa zich op het gravel van Barcelona al weken voorbereiden op de ontmoeting. Zoals ook het vooruitzicht van een tot de nok toe met uitzinnige Catalanen gevulde stadion hem geen angst inboezemt. “Zo lang ze maar geen dingen naar me gaan gooien. De Spanjaarden moeten bang zijn voor ons. Van hen wordt verwacht dat ze winnen, zij staan onder druk. Ik heb al een keer op gravel van Bruguera gewonnen. Daarom denk ik dat wij 't ze moeilijk zullen maken.”

Als het na de eerste dag, na de eerste twee enkelspelen waarvoor waarschijnlijk hij en Paul Haarhuis zullen worden ingezet, 1-1 staat denkt hij dat de eindzege al vrijwel binnen is. Want in het dubbelspel is Nederland sterk. Wie moet de bondscoach daarvoor opstellen? “Jacco Eltingh en Paul Haarhuis zijn het best op elkaar ingespeeld. Maar ik was ook enorm onder de indruk van Mark Koevermans in de Davis-Cupwedstrijd tegen Uruguay in Den Haag. Toen sleepte hij in het dubbel Paul Haarhuis er helemaal doorheen. Het lijkt wel of Mark gemotiveerder is als ie voor de Davis Cup speelt dan wanneer hij voor zichzelf bezig is.” Hij kijkt een beetje pijnlijk getroffen. Alsof hij zich ineens realiseert dat hij bezig is zich te bemoeien met de opstelling. Dat wil-ie juist niet doen. Dat is het werk van de coach, Stanley Franker. Straks trapt hij weer op gevoelige tenen. Nee, dat heeft hij afgezworen.