"REGTSTREEKSE VERKIEZING IS ONVERMIJDELIJK GEWORDEN'; Brieven van Thorbecke zonder driftbuien

De Briefwisseling van J. R. Thorbecke. Deel IV: 1840-1845 bezorgd door G.J. Hooykaas 468 blz., geill., Instituut voor Nederlandse Geschiedenis 1993 (Kleine Serie nr. 72 van de Rijks Geschiedkundige Publicatiën), f 65,-- ISBN 90 5216 040 6

In 1844, het jaar van de voorstellen der "Negenmannen' tot ingrijpende grondwetswijziging, was Johan Rudolf Thorbecke zowel de staatsman van de toekomst als de held van de radicale dagbladen. Maar vooral was hij de man van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hoewel de invloedrijke oppositionele Arnhemsche Courant tot dat ogenblik zijn spreekbuis was geweest, maakte Thorbecke het met acht gelijkgezinden in de Tweede Kamer aanhangig gemaakte ontwerp voor een nieuwe grondwet op 14 december wereldkundig in de N.R.C., die op 1 januari van dat jaar als Handels-, Nieuws- en Advertentieblad was opgericht.

Thorbecke was niet over één nacht ijs gegaan: hij had de krant eerst op proef genomen om zich de zekerheid te verschaffen dat de heren in Rotterdam uit het goede hout waren gesneden. Het liefst had hij met zijn vriend L. C. Luzac, een van de Negenmannen, een gemeenschappelijk abonnement genomen, waarschijnlijk niet uit krenterigheid, maar omdat hij elke minuut nuttig wilde besteden. Luzac moest er nog eens over denken, want die had al zes kranten.

Thorbecke stuurde zijn herzieningsplan naar de redactie in de Witte de Withstraat, met het verzoek er bekendheid aan te geven op de voorwaarde ""dat het naauwkeurig worde afgedrukt'. Uit die voorwaarde sprak een ruime ondervinding: zijn geloof in de vrije pers was te vaak beschaamd om zijn kind in goed vertrouwen uit handen te geven. Nog onlangs had de redacteur van de Staatscourant en de Handelingen van de Tweede Kamer Belinfante zich ""uit schrielheid' schuldig gemaakt aan ""smoussige verkortingen' van een van zijn inleidingen en dat was reden genoeg om zich niet met dezelfde fiducie aan de nieuwe krant in Rotterdam over te leveren.

Het voorstel van de Negenmannen werd evenwel integraal en foutloos afgedrukt, en het werd in een deel van de pers onmiddellijk herkend als de remedie voor de staatkundige malaise waarin Nederland verkeerde. Met een welgevallen dat een ondertoon van kwaadaardig plezier had, stelde Thorbecke per brief Luzac op de hoogte van de reactie van de Vlissingsche Courant, die de regering ""met hare walgelijke bende aristocraten en oligarchen' scherp had aangevallen om het verzet dat zij de afgelopen maanden tegen de hervormingsplannen der liberalen had gevoerd: ""De Courant heeft wel iets van de toon van 1795, behalve dat zij nog niet voorstelt de aristocraten allen op te hangen.'

"JAMMERLIJK FLAAUWHARTIG'

De N.R.C. sprak zich enkele dagen later krachtig uit voor het initiatief, in tegenstelling tot de liberale kringen in Amsterdam, waar de stemming, zoals Thorbecke in een andere brief aan Luzac constateerde, ""over het geheel jammerlijk flaauwhartig' was. Amsterdam kwam pas later over de brug, en wel nadat eerst ""21 inwoners van Kloosterburen', ""70 landeigenaren uit de Graafschap', ""142 inwoners van Winterswijk' en nog veel meer Thorbeckianen uit alle windstreken van het land adhesie hadden betuigd in de vorm van adressen en petities die bij de Tweede Kamer waren gedeponeerd. Die steunbetuigingen was overigens geen ander lot beschoren dan zovele eerdere petities van kiezers. Ze werden ""ter griffie gelegd', en dan hoorde men er nooit meer van.

Thorbecke maakt zich over dat treurige lot van petities bijzonder kwaad in zijn correspondentie, waarvan zojuist het vierde deel is verschenen in de Kleine Serie van de Rijks Geschiedkundige Publicatiën. ""Het neêrleggen ter griffie is, geloof ik, eene oorspronkelijke nederlandsche uitvinding, waarvan de eer ons door niemand wordt betwist. Zij is ook voor ons karakter kenmerkend genoeg,' schreef hij giftig. In het tweede deel van zijn Aanteekening op de Grondwet, het geschrift waarmee hij zijn naam als staatkundig genie en politicus-buiten-de-Kamer vestigde, had hij over die gewoonte al sarcastisch opgemerkt: ""Men besluit niet over het verzoek, maar over de plaats, waar het stuk zal worden bewaard.'

Dit nieuwe deel van Thorbeckes Briefwisseling (opnieuw nauwgezet bezorgd door de historicus G. J. Hooykaas en opnieuw gevuld met de bloemrijkste liefdesbrieven aan ""zijn lief madonnaatje' en de tederste rouwbrieven aan de nabestaanden van zijn vrienden) ontleent zijn betekenis vooral aan de correspondentie met Luzac, een van de weinige vooruitstrevende geesten in de overwegend conservatieve Tweede Kamer van die tijd. In deze briefwisseling, die de eerste helft van de jaren veertig beslaat, ontplooit het intellectuele leiderschap van Thorbecke zich in volle omvang. Het deert hem nauwelijks dat zijn tijd nog niet gekomen is. Zolang de ""slaap- en theemutsen' het in de Kamer voor het zeggen hebben en zijn geestverwante manschappen nog geen ""voltallige compagnie' kunnen vormen, zit hij zijn tijd in het Leidse professoraat (diplomatie en politieke geschiedenis) wel uit, in afwachting van de dageraad van de democratie.

ONAFWENDBARE OVERWINNING

Uit de brieven spreekt een overeenkomst met de eschatologische taal van de eerste socialisten, die er in de eerdere delen van de Briefwisseling nog niet is. Zoals Marx geloofde in de onafwendbare overwinning van het proletariaat, zo geloofde Thorbecke in de komst van de liberale democratie. ""Regtstreekse verkiezing is, al moge haar theorie niet de beste zijn, onvermijdelijk geworden', schreef hij begin 1845, een aantal weken na de verwerping van het voorstel der Negenmannen in de Tweede Kamer die voorlopig alle hoop op vooruitgang de kop had ingedrukt. ""Men moet er toe komen; de invoering ophouden, is niet anders dan de overwinnende kracht van het nieuwe stelsel verhoogen in dezelfde rede, als die van matiging of tempering verzwakken.'

De brieven geven ook een inzicht in de ontstaansgeschiedenis van constitutionele begrippen die pas veel later grondwettelijke ingang hebben gevonden. Zo vormt de koninklijke onschendbaarheid (hier nog gedefinieerd als ""politische onverantwoordelijkheid') het thema in een brief van april 1841. De contouren van het constitutionele hoofdbeginsel uit de grondwet van 1848 (art. 55: de koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk) zijn hier al duidelijk zichtbaar.

In een eerdere brief had hij zijn collega C. A. den Tex niet kunnen overtuigen van de noodzaak van de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid, maar nu breidde hij zijn argumentatie uit met een analyse van de achillespees van het koningschap, die hem op Het Loo niet geliefd maakte. ""De Vorst, wiens persoon een onoverkomelijke hinderpaal ware voor de handhaving of verwezenlijking van het wettig regt, zou evenwel in het bezit van den troon voor altoos zijn gewaarborgd?' vroeg Thorbecke zich hardop af, en het antwoord was voor hem duidelijk: ""Eene Constitutie, die dit vaststelde, zou, mijns inziens, tegen alle beginsel van regt indruisschen. Gij zoudt [...] onze ontzetting van Philips II, of die van Jacob II, moeten afkeuren.'

Hiermee had Thorbecke reeds de positie ingenomen die later de kern van zijn herinrichting van het Nederlandse politieke bestel zou worden: als het behoud van de staatsorde de afzetting van de koning vereist, dan mogen staat en wet niet aan de persoon worden opgeofferd. De koninklijke onaantastbaarheid houdt in dat uiterste geval op te werken, stipuleerde Thorbecke, ""dewijl de Vorst zelf haar vernietigt, zoodra hij haar, eene persoonlijke hoedanigheid op de daden van de regering overbrengende, doet strekken om het onregt te beschermen.'

In de Tweede Kamer motiveerde hij later het beginsel nog krachtiger: ""De koninklijke magt is niet ingesteld ten behoeve van den persoon des Konings; het is [...] eene rijks- of nationale macht, die, wèl afgeperkt, krachtig, zelfstandig, met de andere rijksmachten in harmonie behoort te zijn en slechts sterk is in deze harmonie. Eene duistere, onbepaalde, vormlooze, betwiste of betwistbare macht is noch voor het regeeren, noch voor den regeerder een beginsel van sterkte, maar van zwakheid, niet een beginsel van orde, maar van verwarring.'

C. A. den Tex bracht de rechtsregel ""the King can do no wrong' tegen Thorbecke in stelling, die daarop terugschreef: ""Ik meen uit Blakstone, die waarlijk geen ultraliberaal was, te kunnen bewijzen dat mijne leer die van het engelsche regt is.' Thorbecke spelt de naam van Blackstone weliswaar verkeerd, maar hij blijkt met diens Commentaries on the Laws of England vertrouwd te zijn. Het is hier voor het eerst dat de beroemde Engelse rechtsgeleerde in Thorbeckes brieven figureert. Het is een aanwijzing voor de "Engelse invloed' die bijvoorbeeld in W. Verkades dissertatie over de staatkundige denkbeelden van Thorbecke niet voorkomt.

De "leider' van de liberalen is in de Engelse constitutie trouwens meer thuis dan de meeste van zijn biografen hebben opgemerkt. In zijn antwoord aan de bestrijders van zijn herzieningsvoorstel in de Kamer heeft hij meer dan eens de Engelse constitutie op hoofdpunten aan de Nederlandse grondwet ten voorbeeld gesteld. ""De Engelschen kennen geen onderscheid van grondwetgevende en gewone wetgevende magt, zooals wij. [...] Burke noemde de Engelsche Constitutie, bedrieg ik mij niet, "a perpetual innovation', een gestadige vernieuwing. Kan dit van eene grondwet als de onze worden gezegd?'

Hooykaas geeft, zoals ook in de voorgaande delen, nuttige biografische en staatkundige informatie over de personen met wie Thorbecke correspondeert, maar de hiaten in de correspondentie roepen de behoefte aan meer toelichting over de hoofdmomenten op. Die hiaten zijn onvermijdelijk, want tijdens de "Vijfdaagse Slag' waarin het voorstel van de Negenmannen sneuvelde, schreven de meeste hoofdpersonen uit de Briefwisseling geen brieven, omdat ze elkaar tot diep in de nacht zagen.

Maar juist hier komen bij de lezer talloze brandende vragen op, waarop hij in de Briefwisseling geen antwoord vindt. Hoe reageerden de Negenmannen hun frustraties af? Dronken ze zich geen stuk in de kraag, slingerden ze geen inktpotten door de zaal? Maakten Thorbecke en Luzac (of misschien wel alle Negenmannen) in al die vijf dagen nooit een ommetje rond de Hofvijver om weer tot zichzelf te komen?

In zijn brieven blijkt Thorbecke kleurrijke hatelijkheden over zijn politieke tegenstanders te kunnen debiteren, maar over driftbuien of beledigingen leest men in de brieven niets. Er komt geen enkele wanklank "uit de kleedkamer', terwijl het toch zeker is dat Thorbecke niet alleen zijn tegenstanders tot razernij kon brengen, maar ook zelf zowel tot echte als gespeelde razernij in staat was.