Keuze tussen kerk en volk

Bisschop Bär van Rotterdam leek de beste kardinaal die de rooms-katholieke kerk van Nederland nooit heeft gehad, zoals van de Engelse socialist Denis Healy werd gezegd: “the best Prime Minister Great Britain never had”.

Hij was geliefd onder de gelovigen van zijn Rotterdamse ambtsgebied, gezien in een ruime kring van niet-gelovigen en populair onder niet-katholieke journalisten. Zijn speciale functie als mediabisschop bracht hem veelvuldig in contact met de journalistieke wereld, die hem leerde kennen als een tolerante man, gehecht aan de tradities van zijn kerk maar ook geïnteresseerd in en vertrouwd met de wetten van het seculiere leven. Van zijn soort zijn er pastoraal en theologisch niet veel: een roomse voorganger met een Erasmiaanse, humanistische inslag, intellectueel geïnspireerd door een ideaal voor een tegengestelde richtingen omvattende katholiciteit.

Het zal wel tot zijn taak hebben behoord missionair met de niet-katholieken om te gaan, maar bisschop Bär liep met die taak in elk geval niet te koop. Hij was een priester aan wie opdringerigheid vreemd was en die met terughoudendheid en onderscheidingsvermogen de buitenwereld tegemoet trad. Hij leed bepaald niet aan een minderwaardigheidsgevoel, en hij ging een stevig debat niet uit de weg, maar hij had teveel verstand om aan rechtlijnige of ongenuanceerde denkbeelden te hechten.

Als hij door buitenstaanders (zoals journalisten) over de herkersteningsstrategie van het leeggelopen missiegebied Nederland werd uitgevraagd, leek hij eerder door défaitisme dan door gevoelens van triomfalisme te worden beheerst. Het woord herkerstening kwam niet eens over zijn lippen, en hoewel er vorig jaar nog een herderlijk schrijven over is gepubliceerd, leek hij niet te geloven dat er nog iets van te maken was.

Een maand geleden hield hij in een vraaggesprek met Ageeth Scherphuis in Vrij Nederland de proselitische driften in zijn kerk definitief voor uitgewoed. (“Die categorie bestaat niet meer. Met zieltjes winnen houdt niemand zich één moment bezig”). In hetzelfde vraaggesprek gaf hij zich er rekenschap van dat het verlies van historisch besef zich niet tot de geseculariseerde mens heeft beperkt, maar ook tot de rooms-katholieke gelovigen. “Eeuwenlang hebben we de normen en waarden (van de kerk) bekend verondersteld. Daar hoefde je niet meer over te praten. Maar ze weten het niet meer, de jonge gelovigen begrijpen niet waar je het over hebt”.

Die relativerende denkwijze is niet eigen aan rooms-katholieke dogmatiek noch aan de politiek van het Vaticaan. Het moet dus de protestantse trek in Bär zijn die hem zozeer onderscheidt van zijn ambtgenoten, zoals de bisschop van Haarlem, monseigneur Bomers (eveneens populair bij de pers, maar meer door zijn onverschrokken openhartigheid). De laatste is een ouderwetse verdediger des geloofs die geen twijfel kent en energiek de herkerstening van Nederland propageert. Bär is met intellectuele twijfel grootgebracht, en het is maar de vraag of dat de ware voorbereiding op zijn bisschopsambt is geweest. In het interview in Vrij Nederland bleek zijn protestantse print nog niet te zijn uitgewist. Hij vertelde daarin met grote welwillendheid over zijn protestantse verleden: met het protestantse geloof was materieel “niets fout”, het verschil zat vooral daarin dat hij in het “kale calvinisme” de traditie miste. “Aan de inhoud van de reformatie hoefde ik, naar mijn gevoel, niets te veranderen, wel aan de vorm.

Niet bekend

Uit de manier waarop hij deze week resigneerde blijkt dat Bär niet lang genoeg protestants is geweest. Een echte protestant zou zich doodvechten, maar nooit zijn handdoek in de ring gooien en zich gewonnen geven aan het adderengebroed onder zijn beminde gelovigen, dat hem door karaktermoord uit de weg wilde ruimen. Het hoofd in de schoot leggen past niet in de protestantse traditie van burgerlijk-religieuze ongehoorzaamheid. In een conflict tussen het leergezag en het individu kent die traditie maar één alternatief voor onderwerping, en dat is uittreden. Dat is wat Bär had moeten doen. Hij had moeten uitbreken en met zijn vele aanhangers die hem hun adhesiebetuigingen hebben nagestuurd voor zichzelf moeten beginnen.

Thomas Cranwell deed goede zaken toen hij het gezag van de paus opzegde en zich van het Vaticaan losmaakte: de Anglicaanse kerk, die tussen Rome en de Reformatie een gat in de markt had ontdekt, is er nog steeds en beheerst in Engeland nog altijd het toneel, ook al bloeit ze niet meer als voorheen. Nu was Cranwell, naar wij van hem weten, een man “geobsedeerd door de waarheid”. Van Bärs gedachtenleven weten we lang niet zoveel als van de Engelse kerkhervormer uit de tijd van Hendrik VIII, maar zoveel is wel bekend dat de afgetreden bisschop van Rotterdam een mensenbinder is, wie het geen moeite zou kosten een kerkelijke beweging te stichten die de bisschoppelijke getrouwen van het Vaticaan in Nederland volledig in de schaduw zou stellen.

Als Bär zich aan het hoofd daarvan zou plaatsen, zou er een aardschok door katholiek Nederland gaan. Dat zou een interessante krachtmeting tussen de man van het volk en de mannen van het instituut worden. Een man met charisma tegenover formalistische, conformistische kerkleiders. Waar vindt men nog geestelijke leiders die democratische inzichten verenigen met theologische denkbeelden en hun geloof in hun pastorale werkplaatsen in gewone taal en met geestdrift en elan uitdragen? De kerk van Rome heeft reden om beducht te zijn voor een bisschop die één is met het kerkvolk en die de gelovigen boven de kerk stelt.