India was nooit de oplossing

De verwoesting van de moskee in Ayodhya en de bloedige rellen en aanslagen die daarop volgden, hebben een groeiend ongeloof in de staat India veroorzaakt. Toenemend fundamentalisme en regionaal nationalisme leidden tot desintegratie, de recente bomaanslagen in Bombay en Calcutta zijn daar de gewelddadige uitwassen van. In Calcutta, van oudsher het intellectuele centrum van de natie, gelooft vrijwel niemand meer in een goede afloop. Als de hindoe-fundamentalisten na de eerstvolgende verkiezingen aan de macht komen, zal West-Bengalen zich losmaken van India. Dat is volgens velen nog maar het begin van de verbrokkeling.

"Ik hóóp dat India uiteen zal vallen.' Achteloos uitgesproken woorden, maar in werkelijkheid zorgvuldig geplaatst, zoals je van een politiek acteur kunt verwachten. Ashok Mitra is niet vergeten hoe je deze dingen aanpakt. De kleine, alerte man in zijn onberispelijke kurta-pyjama, heeft enkele jaren geleden weliswaar overhaast het podium van de macht moeten verlaten toen hij onder nooit opgehelderde omstandigheden aftrad als minister van financiën van West-Bengalen, maar in alles wat hij zegt klinkt onmiskenbaar door dat het om een tijdelijk afscheid gaat. Ook tegen mij spreekt hij de geheimtaal van de actieve politiek, waarin de hoofdrolspelers aangeduid, maar nooit genoemd worden: deze persoon, bepaalde individuen, zekere krachten in de partij. Op dit moment, heeft hij me geduldig uitgelegd, neemt het schrijven van artikelen een groot deel van zijn tijd in beslag, maar er staan dingen te gebeuren, het zou heel goed kunnen dat hij binnen niet al te lange tijd...

Mitra laat de ware betekenis van zijn woorden telkens vaardig in de lucht hangen. Vanachter zijn vierkante brilleglazen kijkt hij me vergoeilijkend aan, terwijl hij kleine slokjes drinkt van de thee die hij heeft laten brengen. Buitenstaanders als ik, onbekend met de verfijnde intriges in de sinds jaar en dag regerende communistische partij, de CPI(M), vormen eigenlijk maar ondankbaar publiek. Misschien daarom brengt hij halverwege ons gesprek in de koele studeerkamer van zijn appartement in Calcutta onverwachts wat verbaal dynamiet tot ontploffing: ""Ik hóóp dat India uiteen zal vallen.''

Ashok Mitra woont in Alipore, Calcutta's dure wijk. In zijn appartement is het tergende, onontkoombare lawaai van de overvolle stad op mysterieuze wijze tot zwijgen gebracht. Het open raam biedt uitzicht op de groene kruinen van palmbomen, een zeldzaamheid in Calcutta. We bevinden ons in een kleine oase, omringd door boekenkasten. Lange rijen politieke en sociale studies staan keurig in het gelid, maar ik zie ook biografieën (Stalin, Marx), boeken over filmgeschiedenis en romans (Brideshead Revisited). Mitra, van oorsprong een econoom, heeft in Europa gestudeerd; vlak na de Tweede Wereldoorlog, vertelt hij, heeft hij drie jaar in Den Haag doorgebracht. Hoewel hij ook tegenover mij verklaart nog altijd een overtuigd marxist te zijn, is hij nooit erg populair geweest bij de dogmatische partijkaders. Hij is te veel econoom, te weinig Bengaals, te werelds. Zijn vrouw, heb ik gehoord, drijft een kledingboetiek.

Hij wil het me allemaal wel uitleggen. Mitra hoopt dat India uiteen valt, ""omdat wij niets te maken willen hebben met het geboefte dat de moskee in Ayodhya heeft gesloopt''. Hij zegt het met het onnavolgbare dédain van de Indiase politicus, alsof hij net iets heel vies heeft geproefd. Wanneer de hindoe-fundamentalisten aan de macht komen, wat bij de eerstvolgende verkiezingen zeer waarschijnlijk is, zal West-Bengalen zich losmaken van India. En niet alleen West-Bengalen, maar ook Bihar, Orissa, Kerala en ga zo maar door. Dat komt ervan. De regerende Congress Party is onder de Gandhi's nooit te beroerd geweest in te spelen op de religieuze gevoelens van verschillende groepen, met als enig doel stemmenwinst, en dan krijg je dit. De regering van Narashima Rao is geen regering. En dan, dat moet toegegeven worden, veel mensen in India kunnen eenvoudig van bovenaf niet bereikt worden, niet door de communisten, en ook niet door westerse kapitalisten. ""Deze mensen leven welbeschouwd nog in de prehistorie.''

Ik vraag hem of hij het einde van India als een tragedie zal ervaren. Hij haalt nadrukkelijk zijn smalle schouders op. ""India was nooit de oplossing, weet u, het was altijd al een compromis.''

Het is geen dreigement van een politieke loser; dit is de officiële partijlijn. Diezelfde week, tijdens een massale demonstratie op het enorme grasveld in het hart van Calcutta, de Maidan, heeft de premier van de deelstaat, Jyoti Basu, het hoogbejaarde gezicht van het Indiase communisme, tegen bevriende journalisten hetzelfde beweerd: het moment dat de Bharatiya Janata Party (BJP) het in Delhi voor het zeggen krijgt, zal West-Bengalen de onafhankelijkheid uitroepen. Kennelijk hebben de communisten, die sinds jaar en dag de deelstaat besturen, besloten de confrontatie met het zogenoemde hindoe-fundamentalisme uit de weg te gaan en zich terug te trekken achter hun eigen stellingen.

En niet alleen marxistische en stalinistische politici vinden daar onderdak. Een Indiase vriend heeft diezelfde ochtend geschokt verteld dat universiteitsbestuurders in Delhi geld proberen los te krijgen voor een nieuw op te richten centrum voor Aziatische studies in Calcutta, dat als toevluchtsoord voor de talrijke ultra-linkse Indiase intellectuelen kan dienen. De barricaden worden al verlaten nog voor ze zijn opgericht. Men reist het geld achterna.

Verwoesting

Hoe schokkend het politieke leedvermaak van een man als Mitra ook is, de communisten van Calcutta hebben niet het patent op het pessimisme. Overal in India weerklinkt op dit moment de sombere echo van Mitra's woorden. De verwoesting van de moskee in Ayodhya op 6 december vorig jaar en de bloedige rellen en aanslagen die daarop volgden, hebben iets teweeggebracht dat voor een buitenstaander moeilijk te bevatten is: een groeiend ongeloof in de idee van de staat India. Hier in Calcutta, van oudsher het intellectuele centrum van de natie, eindigen de meeste gesprekken over politiek (en vrijwel ieder gesprek gaat over politiek) in een onzekere stilte.

Natuurlijk wordt er publiekelijk vaak en hartstochtelijk een beroep gedaan op het gezonde verstand. De ernstig verzwakte Congress Party plaatst advertenties in de landelijke dagbladen waarin de traditionele post-afhankelijkheidsidealen opgesomd worden: democratie, secularisme, nationale eenheid. Ondanks de positieve toon klinkt er een onmiskenbare vertwijfeling in door, als in de woorden van een leraar die de noodzaak van goed onderwijs onderstreept voor een leeg klaslokaal. De twee Engelstalige kranten van Calcutta, The Telegraph en de vergrijsde The Statesman, drukken opgewekte pleidooien voor tolerantie en saamhorigheid af. Beeldend kunstenaars hebben een overvloed aan verzoenende werken ingezonden voor de tentoonstelling Wounds, die, zoals de uitnodiging meldt, bedoeld is als ""het antwoord van India's belangrijkste kunstenaars op het trauma van onze tijd''. Maar achter die façade van democratische strijdlust gaapt de kloof van de algehele desillusie.

Vergeleken met Delhi en Bombay zijn er in Calcutta weinig rellen geweest (of liever gezegd, pogroms, want het zijn steevast rabiate hindoes geweest die moslims uit hun huizen hebben gesleurd en afgeslacht), een veelgeprezen feit, dat afwisselend wordt toegeschreven aan de invloed van het communistische beleid en de tolerante Bengaalse volksaard. Een handelaar in thee vertelt me trots dat er door de rellen in Bombay een kapitaalstroom op gang zal komen naar Calcutta, de stad waaruit de communisten de afgelopen twintig jaar nu juist iedere zakenman hadden weggejaagd! Ook deze stad ontkomt er uiteindelijk niet aan: de wijk waarin de meeste moslims wonen is een week lang afgesloten geweest en in de Chinese wijk in het noordoosten van de stad, waar vanwege de talloze looierijen veel moslims werken, zijn doden gevallen. Wat in de rest van India gebeurt, zal ook in Calcutta gebeuren.

Overal waar ik kom, hoor ik voorspellingen die een paar jaar geleden nog absurd geklonken zouden hebben. Bracht de moord op Rajiv Gandhi twee jaar geleden nog een vloedgolf van nationaal gevoel teweeg, die euforie lijkt achteraf een akelig geval van wishful thinking.

Rekening

""Het is grappig'', zegt de jonge antropoloog Sunil die ik de avond na mijn gesprek met Ashok Mitra bij vrienden ontmoet, ""hoe gemakkelijk de generatie van mijn vader zich ten tijde van India's onafhankelijkheid heeft gedistantieerd van voor India essentiële zaken als godsdienst, kaste en regionale banden. India móest en zou een seculiere democratie naar westers model worden. Het idee van de nationale staat was heilig voor hen. De grootste democratie ter wereld! Godsdienst moest tegen elke prijs uit de politiek gehouden worden. Je kunt zeggen dat we nu de rekening gepresenteerd krijgen.''

Het is de ironie van het moderne India dat juist Sunil zulke grote vraagtekens plaatst bij het ideaal van zijn vader, een bejaarde man die tijdens de Tweede Wereldoorlog onder Lord Mountbatten in Birma heeft gediend. Zoals zoveel jonge academici in India heeft Sunil in de Verenigde Staten gestudeerd (Engeland wordt tegenwoordig niet langer meer aantrekkelijk gevonden). Zijn vrouw is Amerikaanse. Hij stemt iedere verkiezing schoorvoetend op de communisten. Maar anders dan de marxisten aan de universiteiten weigert hij de massale volkssteun aan de hindoe-fundamentalisten zomaar af te doen als nieuwe achterlijkheid. Het valt niet te ontkennen dat de zogenaamde sangh parivar, de gezamelijke hindoepartijen, wèl gelukt is het volk te bereiken. Die gedachte is, voegt Sunil er direct aan toe, het anathema voor de linkse intelligentsia. Iedereen die ook maar een poging doet te begrijpen waarom de BJP in een korte tijd zo groot heeft kunnen worden, wordt door de stalinisten verketterd en gebrandmerkt als een verdorven communalist, het tegenovergestelde van een secularist.

Ze zijn bang, zegt Sunil, want de BJP en de nog extremere zusterpartijen RSS en VHP, zijn anti-intellectualistisch tot op het bot. Zodra ze aan de macht zijn en hun zogenaamde Hindoe Rashtra, de hindoestaat, stichten, is het afgelopen met de macht van de intellectuelen in Delhi. Vandaar dat velen van hen nu al eieren voor hun geld hebben gekozen. Neem Swapan Dasgupta, de jonge commentator van het opinieweekblad Sunday, een klasgenoot van Sunil en jarenlang overtuigd trotskist. Nu verdedigt hij plotseling week in, week uit de verwoesting van de moskee en het fundamentalistische programma. Modieuze intellectuelen, die zich vastklampen aan het secularisme, vormen het doelwit van zijn dodelijke pen. En het heeft succes: Dasgupta is zojuist in dienst gekomen bij The Times of India, de grootste Engelstalige krant van het land.

En dat is maar één voorbeeld, zegt Sunil. Veel mensen zijn bang en gedragen zich bang: een beroemde Indiase zanger, een moslim, werd plotseling van het podium weggefloten en smeekte daarna alle kranten telefonisch om het incident in de doofpot te laten verdwijnen. Anders, zei hij, was het afgelopen met zijn carrière. Een vriend van Sunil in Delhi, een gewilde socialite, een man die op geen feest mocht ontbreken, werd plotseling door alle gastvrouwen afgebeld: ze wilden de andere gasten niet in verlegenheid brengen met een moslim.

Ik zeg tegen Sunil dat het me opgevallen is dat de meeste groepen in Calcutta nog altijd gescheiden van elkaar leven; van buitenaf gezien heeft het veel weg van een vrijwillige apartheid. De Chinezen, de Anglo-Indians, de moslims, de Bengali's en de niet-Bengali's, de West-Bengali's en de import uit voormalig Oost-Pakistan, ze hebben allemaal hun eigen buurten en wijken; vijfenveertig jaar na India's onafhankelijkheid wil men zich toch nog het liefst binnen de veilige vesting van zijn eigen groepsidentiteit bewegen. Ondanks de vèrgaande internationalisering van de samenleving is er in Calcutta betrekkelijk weinig veranderd. In de eigen sociale groep kun je hoog opklimmen of diep zinken, maar overstappen naar een andere is oneindig veel ingewikkelder. Veel mensen die ik spreek, gelovige en ongelovige hindoes, zijn oprecht ontsteld door de verhalen over de gruwelijke manier waarop moslims worden behandeld, ze zijn hartstochtelijk tégen de BJP, maar in hun huizen kom je geen moslim tegen. Gearrangeerde huwelijken komen dan wel steeds minder voor, maar ik heb de indruk dat gemengde huwelijken nog steeds niet alledaags zijn. Een jonge vrouw die een hoge positie bekleedt in een bedrijf dat zich bezighoudt met business management en een lange tirade tegen de cynische volksmenners van de BJP tegen me hield, schrok zichtbaar toen ik haar vroeg of de moslims in Calcutta nu ook in angst leefden. Twee meisjes op haar werk, zei ze, waren moslim. Inderdaad, die moesten nu een verdomd moeilijke tijd doormaken.

Sunil ontkent niet dat veel groepen gescheiden leven. Een beetje gepijnigd zegt hij: ""Het is waar, maar vroeger was dat echt anders. Weet je, mijn ouders hadden zoveel vrienden die moslim waren.''

Wat, vraag ik Sunil, gebeurt er als India uiteenvalt, iets dat volgens hem onvermijdelijk is? ""Ik weet het niet. Wat moet een deelstaat als West-Bengalen, die in zoveel opzichten van Delhi afhankelijk is - zich samenvoegen met Bangladesh soms? Sommige mensen stellen zich zoiets voor als Singapore. Dat klinkt aantrekkelijk. Maar er is helemaal geen plaats in de wereld voor nog eens tien Singapores.''

Imitatie

Twee citaten: één uit 1916, het andere uit 1993. In een van zijn vele lezingen over nationalisme waarschuwde Rabindranath Tagore (1861-1941), de Indiase Nobelprijswinnaar voor literatuur en nog altijd een culturele heilige in Bengalen, tegen een al te gemakzuchtige imitatie van het westerse idee van de nationale staat. ""Wanneer onze nationalisten over idealen praten, vergeten ze dat de basis van het nationalisme hier ontbreekt. Juist de mensen die deze idealen verkondigen, zijn zelf het meest behoudend in hun sociale leven. Nationalisten zeggen bijvoorbeeld: kijk naar Zwitserland waar, ondanks rassenverschillen, de mensen zich in een natie hebben verenigd. Maar besef dat in Zwitserland de rassen zich kunnen vermengen, ze kunnen onderling huwelijken sluiten, want ze hebben hetzelfde bloed. In India is er geen gemeenschappelijk geboorterecht.''

De golf van hindoe-nationalisme die India dreigt te overspoelen, met zijn nadruk op de oneigenlijke, wezensvreemde elementen binnen de staat, namelijk de islamitische minderheid, lijkt een direct gevolg van dat onopgeloste dilemma. In het weekblad Business India waarschuwt de jonge Bengaalse schrijver Amitav Ghosh tegen het door de BJP gepropageerde "culturele nationalisme'. In koloniale tijden, schrijft Ghosh, was het nationalisme een geschikt bindmiddel voor de strijd tegen de Engelsen, maar in post-koloniale tijden heeft het opzichtig vlagvertoon van Derde-Wereld-landen in het gezicht van het Westen iets potsierlijks, ""zoals het werpen van een tomahawk naar een ruimteschip''.

Het naar binnen gekeerde nationalisme van de BJP kan volgens Ghosh, net als in Joegoslavië, alleen maar een burgeroorlog tot gevolg hebben. ""De paradox van het nationalisme is dat het de meest internationale van alle ideologieën is, maar voorwaarde voor succes is nu juist dat het de illusie schept geheel en al uniek en aan eigen bodem ontsproten te zijn. Er is helemaal niets unieks of eigens aan het "culturele nationalisme' van de BJP; het is niet specifiek Indiaas en slechts aan de oppervlakte hindoeïstisch.''

Slachtpartijen

In Calcutta spreken Dilip en zijn vrouw Kabita liever Bengaals dan Engels; ze wonen in Californië. Dilip, een gedrongen, harige man van een jaar of veertig, die er eerder uitziet als een uitsmijter van een van de verlopen nachtclubs in Park Street dan als de academicus die hij is, verontschuldigt zich bij voorbaat voor het eten dat hij voor ons in zijn kale, tijdelijke woning heeft gekookt; terug in Calcutta wil hij bij wijze van compensatie van het laffe Californische voedsel nog wel eens uitschieten met de kruiden. Toch is de Amerikaanse cultuur ook in dit huishouden doorgedrongen; een jonge student geschiedenis, die eveneens is uitgenodigd, wordt vriendelijk verzocht zijn sigaret op de gang te roken.

Ook Dilip heeft de afstand van een Amerikaanse universiteit nodig om de geschiedenis van zijn eigen land te kunnen schrijven. Hij is bezig aan een grote studie over de slachtpartijen tussen moslims en hindoes die Calcutta verscheurden in 1947, aan de vooravond van India's onafhankelijkheid. Door middel van getuigenissen van daders en slachtoffers wil hij een van de bloedigste episoden uit de geschiedenis van de stad in kaart brengen en verklaren. De eregast van vanavond is zijn oude mentor, professor Rahman, die nu moderne geschiedenis doceert aan een van de colleges in Hooghly, ten noorden van Calcutta.

De professor is een opvallende verschijning, al was het maar omdat zijn kurta hagelwit is, iets dat in het hopeloos vervuilde Calcutta ontzag inboezemt. Dilip, zijn voormalige pupil, heeft hij al twintig jaar niet meer gezien. De mannen begroeten elkaar en er volgt een korte stilte, waarin ze hun herinneringen aan elkaar proberen aan te passen aan het heden. Die professor Rahman, nog altijd even onberispelijk! Dilip legt zijn handen verontschuldigend op zijn uitstulpende buik.

Onder het eten van de bhiryani komt het gesprek al gauw op de monumentaal dikke nieuwe roman van Vikram Seth, waarvoor uitgevers wereldwijd een bedrag van meer dan een miljoen dollar hebben neergeteld, en die ondanks de slechte recensies het gesprek van de dag is. Professor Rahman luistert nauwelijks. Dan plaatst hij de toppen van zijn lange vingers bedachtzaam tegen elkaar en wendt zich plotseling tot mij. Salman Rushdie's roman, The Satanic Verses, heb ik die gelezen? Ja? En wat vond ik ervan?

Ik probeer mijn brandende lippen te blussen met Thums-Up-cola en begin uit te weiden over de literaire kwaliteiten en gebreken van die roman. Professor Rahman hoort het vriendelijk aan en zegt vervolgens dat hij een grote bewondering voor het boek koestert. ""En'', zegt hij met een milde glimlach, ""ik ben bijna vermoord omdat ik in verschillende bladen heb geschreven dat ik het een goed boek vond.'' Rushdie is een twijfelaar, zegt hij, en die zijn altijd het interessantst. In tegenstelling tot wat die middeleeuwse islamitische fundamentalisten beweren, heeft hij de islam helemaal geen schade toegebracht. Sterker nog, hij heeft de theologie uit een keurslijf bevrijd. Door op een even intense als hondsbrutale manier met de geloofsartikelen van de islam in de weer te gaan, heeft hij eerder vernieuwd dan vernield. Hij, Rahman, is niet de enige moslim die dat beweert, er zijn tegenwoordig gelukkig meer die dat hardop durven te zeggen.

Na het eten steekt Dilip een cassette met een Bengaalse speelfilm in het video-apparaat. ""Deze komedie is klassiek'', zegt hij. We moeten niet letten op de reclamespots, die dwars door het beeld heengaan. Het is een zwart-wit film uit de jaren zestig. De intrige ontgaat me grotendeels, maar duidelijk is dat er onbekommerd de draak wordt gestoken met de zogenaamde Godmen, self-made heilige mannen die goedgelovige burgers oplichten met bijgeloof en hindoestische quasi-mystiek.

Professor Rahman lacht hartelijk. Zijn ontspannen houding verbaast me. Als iemand het moeilijk heeft, is hij het; aangevallen door moslims vanwege zijn kritische houding, wordt hij nu geconfronteerd met een nog grotere dreiging, omdat hij moslim is. Ik vraag hem er voorzichtig naar. ""Het is niet anders'', antwoordt hij. Even later verdwijnt hij, snel en onopvallend, een wijze oom in een negentiende-eeuws toneelstuk; een interessante bijfiguur, die de tragische afloop heeft voorspeld, maar hem niet kan voorkomen.