In Algiers is de vijand van gisteren de vriend van morgen

Hoe sluit je vrede met je vijanden? Door hun vrede aan te bieden en tegelijkertijd met hun vijanden oorlog te beginnen! Volgens dit oude adagium handelde Belaid Abdessalam, de premier van Algerije, op 11 februari. Hij deelde mee dat Algerije een moslim-staat is, die een ijzeren vuist hanteert tegen misdadigers en saboteurs (de radicale moslims, die met terrorisme de Godsstaat in Algerije willen vestigen), maar rahma, genade, aanbiedt aan hen die dat pad van misdaad en sabotage opgingen. “Want ook zij zijn zonen van Algerije, en ze hebben zich vergist.”

Vervolgens kregen de "laico-assimilationistes' ervan langs. De "laicos' zijn in het houten politieke jargon van Algerije zij die de islam en de staatszaken van elkaar willen scheiden. "Assimilationistes' is het codewoord voor hen die in de jaren vijftig en zestig ijverden voor politieke en culturele emancipatie van de Algerijnen in een Franse omgeving. Het was dus duidelijk dat de premier in zijn meer dan vier uur durende redevoering zijn pijlen richtte op de liberalen, de modernisten, de Franstaligen en de communisten - zijn belangrijkste aanhangers in de strijd tegen het FIS (het Front voor de Islamitische Redding).

Enkele dagen later herhaalde Ali Kafi, de voorzitter van de Hoge Staatsraad, in nog veel sterkere bewoordingen wat premier Abdessalam had gezegd. “De pseudo-verdedigers van de verandering willen de zaak in de war gooien, de geschiedenis verdraaien en de constante nationale waarden vernietigen.” Hij lichtte toe dat die constante waarden de Arabo-islamitische identiteit omvatten.

Weer drie dagen later kwam de minister voor religieuze zaken, Sassi Lamouri, met een preek voor de televisie. Hij zei: “Nooit zullen wij een bondgenootschap sluiten met de laico-communisten” - om enkele dagen daarna via de beeldbuis de Strijders voor God te vragen: “Waarom doden jullie politiemannen? Het zijn toch niet allemaal communisten?”

Al die redevoeringen waren ter voorbereiding van een indirecte "dialoog' met de moslim-radicalen van het FIS. Want dezelfde lieden, die nu opeens door de overheid werden aangevallen, worden al sinds vele jaren door de radicale en de wat minder radicale moslims als vijanden beschouwd van de Arabo-islamitische identiteit van Algerije - vijanden van de godsdienst en van de Arabische bestemming van het land.

Het verboden verklaarde FIS heeft een aantal prominenten onder hen al publiekelijk de dood aangezegd. Per fatwa (religieus decreet), via oproepen in de video-cassettes die in de moskeeën worden afgespeeld, en in persoonlijke boodschappen. In november werden ook nog eens "dodenlijsten' verspreid - sommige voorzien van foto's - van de politici en journalisten die naar de hel moesten worden geholpen. De aanstaande slachtoffers waren genummerd, waarmee de afzenders de orde van prioriteit aangaven. Andere door het FIS ter dood veroordeelden kregen een dag of vier voordat ze vermoord werden, een stukje lijkwade toegestuurd of het speciale parfum, waarmee doden worden begoten.

Vooral officieren kregen die laatste "speciale geschenken'. Sommigen zijn dan ook naar andere steden verhuisd. Anderen bezweken onder de druk en gingen werken voor het FIS, zoals een politie-officier, die betrapt werd en bij zijn chef in huilen uitbarstte; hij was sinds twee maanden informant voor het FIS nadat die zijn familie had bedreigd. Veel dienstdoende politiemannen en militairen verschijnen op straat niet meer in uniform. Dat is te gevaarlijk, ze worden subiet neergeschoten. Vaak opereren ze gemaskerd, zoals woensdag bij de begrafenis in Algiers van de voormalige minister van hoger onderwijs Djilali Liabes, één van de slachtoffers van de golf van moordaanslagen van de afgelopen dagen. De Hoge Staatsraad was aanwezig, inclusief de Sterke Man van het bewind, de zeer zieke minister van defensie Khaled Nezzar, die maar een paar uur per dag in staat is te werken. Het hoge gezelschap werd bewaakt door zwaar bewapende en gemaskerde politiemannen.

Men weet nooit precies wie er schieten: de mensen van het FIS of de politie. De FIS-strijders hebben hun baard afgeschoren en zien er net zo uit als hun vijanden: zwart jack, jeans, sportschoenen en hele korte borstelharen. De politiebureaus worden bewaakt door een paar gewapende mannen in burger. Aan de kleine criminaliteit, zoals diefstal, wordt niets meer gedaan. Veel politiemannen overnachten in hun kazernes en proberen zo ongezien mogelijk hun vrouw en kinderen te bezoeken. Sommigen komen weken lang niet naar huis. Maar ook dat helpt niet. Zelfs politie in burger wordt neergeschoten door mensen uit dezelfde wijk.

Intussen islamiseert het leven. De staatstelevisie zendt steeds meer godsdienstige programma's uit. Zoals het vraaggesprek met een padvinder, die op de vraag wat hij later wil worden, antwoordt: “Islamist.” Sinds begin jaren tachtig zijn de scholen in handen van de moslim-radicalen. Onderwijzers plegen nu te laat naar school te komen om niet bij de verplichte vlag-ceremonie aanwezig te hoeven zijn. De nationale vlag en alle andere symbolen die verwijzen naar Algerije als natie en als samenleving zegt hun niets. Voor hen telt alleen de supra-nationale umma islamiyah, de islamitische natie.

Het kan voorkomen dat jongetjes van tien weigeren zich aan de in Algerije geldende regel te houden dat leerlingen opstaan voor de onderwijzer als die de klas betreedt. Dat kan niet voor hun onderwijzeres, want - zeggen zij - het is de man volgens de islamitische wet verboden om voor een vrouw op te staan. Als de onderwijzeres het kind de klas uitstuurt, komt de vader om zich te beklagen en wordt het kind weer toegelaten. Een directeur van een school vertelt: “Er zijn ouders die bezwaar maken tegen de manier waarop het godsdienstonderwijs wordt gegeven, dat alleen maar gaat over ge- en verboden. Maar ik kan ze niet helpen. Ik kan toch niet in elke klas een politieman neerzetten?”

Die omstandigheden zorgen ervoor dat het leger het steeds moeilijker krijgt. Veel hoge officieren vragen zich af hoe het verder moet. Ze voelen zich niet door de bevolking gesteund - die óf passief de verbitterde strijd gadeslaat óf steeds meer sympathie krijgt voor het FIS in zijn strijd “tegen de honden”. Want steeds meer mensen maken direct of via hun familieleden kennis met de harde repressie tegen het groeiende terrorisme. “We hebben geen staat meer, alleen een onderdrukkingsapparaat”, zegt één van de anti-FIS-mensen, een communist.

Intussen wordt het FIS steeds vindingrijker. Kinderen smokkelen wapens in vuilniszakken naar de strijders. De oorlog op leven en dood tegen wat het FIS “de junta” noemt, lijkt steeds meer op de strijd van het FLN tegen Frankrijk, die onderhuids en heel geleidelijk groeide. Bij voorbeeld tussen 1955 en 1956, toen er bijna niets gebeurde, waarna de Slag om Algiers begon. Ook het FLN had daarvoor weinig strijders nodig - slechts een netwerk van 257 man, dat de Fransen pas na twee jaar wisten te ontmantelen.

Tegen dit onomkeerbare proces kunnen de generaals heel weinig doen. Algerije heeft een leger bestaande uit dienstplichtigen en in hun midden leven dezelfde gevoelens als in de samenleving. Daarom besloot de legerleiding de commandanten opdracht te geven vijfmaal per dag in het gebed voor te gaan. Dat hielp niet. Uit een elite-eenheid deserteerden 500 parachutisten, van wie slechts acht werden gearresteerd.

Geen wonder dat men in de hoogste kringen over mogelijkheden denkt hoe men tot de een of andere vorm van overeenstemming met de steeds sterkere vijand kan komen om de impasse te doorbreken op politiek, sociaal, economisch en cultureel gebied. De moord op Boudiaf op 29 juni, die tot vandaag niet is opgehelderd (23 man van zijn lijfwacht die wegens "schuldige nalatigheid' waren gearresteerd, zijn dezer dagen in voorlopige vrijheid gesteld), kwam sommigen dus erg goed van pas. Want Boudiaf weigerde elk gesprek met “aanhangers van het geweld en van de terugkeer naar het verleden”.

Al vorig jaar probeerde men een dialoog te beginnen. Daarom beloofde de minister van binnenlandse zaken, Mohamed Hardi, op 3 september zijn “islamitische broeders die te goeder trouw zijn” dat hij het onderbroken verkiezingsproces van januari vorig jaar zou versnellen “als zij totaal afstand namen van terroristische praktijken (...)”.

Dezelfde minister maakte zeer onlangs in een vraaggesprek met het weekblad Al Wassat het onderscheid tussen hen “die gebruik maken van geweld om zich van de macht meester te maken en hen die, gelovend in bepaalde zaken, strijden binnen het kader van de wet (...) Zodra het democratische proces hervat wordt, zullen zij het volste recht hebben om voor dat project dat aan hun verlangens tegemoet komt (de Islamitische Staat) te stemmen”.

Al die uitspraken, ter voorbereiding van de "dialoog', zijn buitengewoon demotiverend voor de strijdkrachten. In feite betekenen zij een psychologische demobilisatie van hen die elke dag oorlog met de terroristen moeten voeren. Zij hebben er problemen mee dat de "gematigd-islamitische' partij Hamas, die voor de dialoog werd uitgenodigd, eist dat ook de niet-gewelddadige leden van het FIS daaraan deelnemen. Toen een van de leiders werd gevraagd hoe het onderscheid kon worden gemaakt tussen gewelddadige en niet-gewelddadige FIS-aanhangers, was zijn antwoord: “Dat moeten ze zelf bepalen.” Ze hebben ook problemen met de vrijspraak van een bommenlegger, wiens arm werd afgerukt bij het voortijdig afgaan van zijn bom. Gebrek aan bewijs, stelden de rechters vast - bang voor het FIS, ondanks hun maskers.

Maar de meeste problemen hebben ze met het vooruitzicht dat de mensen die zij nu bestrijden, hen morgen - na een succesvolle dialoog - zullen berechten.