Ermitage

De volkstuin heeft geen gunstig imago, iets met gepensioneerde tramconducteurs die met verbetenheid grote hoeveelheden aardappelen en gigantische pompoenen verbouwen en baardige mannen met sandalen op de biologisch-dynamische toer, of weekendretraites vol miniatuur-windmolentjes en plastic tuinstoelen.

In tijden van nood verandert dit beeld - Dig for Victory! was de leuze in Engeland - en schitterende tuinen werden omgeploegd tot groentebedden; maar als iemand in vredestijd zijn gazon zou opofferen om er aardappelen te kweken, zou men zich ongetwijfeld afvragen of hij ze wel allemaal op een rijtje had. Het echte tuinieren geldt als een nobele bezigheid en de tuinbouw als een verre, materialistische verwant.

Geregeld worden pogingen ondernomen om de moestuin te rehabiliteren; in de groene optiek heeft tuinbouw de aantrekkelijkheid van frisse en natuurlijke voortbrengselen (maar in werkelijkheid gaan de verbouwers van groenten helemaal niet zo milieuvriendelijk te werk: "Il est temps de ranger votre pharmacie de jardin', is de omineuze zin die ik eens in een Frans volkstuinderstijdschrift las).

En dan is er de verwante nostalgische visie van bijvoorbeeld de BBC-serie The Victorian Kitchen Garden. Daarin werden wij aangemoedigd terug te keren tot het oude tuinbouwen van onze voorouders en lang vergeten groentesoorten te herontdekken die in onbruik zijn geraakt omdat ze niet pasten in de gestandaardiseerde landbouw van onze nieuwe eeuw: ze rijpten niet allemaal tegelijk, ze hadden een rare kleur of vormen die te ver afweken van de norm.

Aan de contemplatie van oude soorten groente zijn bevredigende emoties verbonden, maar het heeft inderdaad ook iets onpraktisch, zoals iedereen die het programma gezien heeft met de kardoen (artisjokdistel) zich zal herinneren. Dit gigantische gewas won een prijs op een tentoonstelling en werd toen weggebracht om toebereid te worden: de kok sneed er bijna alles af tot er een paar stukjes over waren ter grootte van een lucifersdoosje, en maakte daarna de indruk de smaak zoveel mogelijk te willen verhullen met kruiden.

Een van de krachtigste argumenten ten gunste van het telen van eigen groente ligt op een ander terrein: namelijk dat zij (met uitzondering dan misschien van de kardoen) werkelijk beter smaken. Dit geldt in het bijzonder in landen waar aan de commercieel verkrijgbare groenten geen geur of smaak meer is te bekennen. De aardappelen en tomaten die ik in Frankrijk placht te kopen smaakten nog ergens naar; vreemd genoeg kwamen die soms uit Nederland, maar die zijn hier blijkbaar gereserveerd voor de export. Op grond van deze en dergelijke overwegingen (waaronder ook gewoon nieuwsgierigheid) ben ik kortgeleden mede-huurder geworden van een lapje volkstuin.

Het volkstuincomplex waarin ik aldus beland ben, is niet stedelijk maar landelijk, een domein van eenzelvige en zwijgzame verbouwers van aardappelen en groente; als je er doorheen loopt begin je alles te zien in termen van eetbaarheid. Een hele overstap van het tuinieren thuis: als van een gewone auto naar een vrachtauto of, misschien juister, naar een bakfiets. Ook in andere opzichten is deze volkstuin alles wat mijn eigen stadstuin niet is: een open stuk land, onbeschermd onder de blote hemel, met volop zon en lekker vochtige aarde, zodat ik er al die planten zal kunnen telen die andere mensen hebben en eindelijk ook eens in staat zal zijn in het tuincentrum achteloos de schaduwplantenafdeling voorbij te lopen.

De gedachte ooit een volkstuin te zullen hebben, was nooit bij mij opgekomen en ik ben er nog niet aan gewend. Het heeft iets alarmerends in het begin; gewend aan de privacy van je eigen stadstuin voel je je, de eerste keer daar op je kale stuk aarde, alsof je op een toneel staat. Ook alsof je weer kind bent en de regels niet kent: wat het vrij levendig in de herinnering terugbracht was mijn eerste dag op de middelbare school: mijn ouders hadden op een of andere manier de instructies verkeerd gelezen en we arriveerden te laat. De andere leerlingen straalden de zelfgenoegzaamheid uit van al naar Chapel te zijn geweest en te weten waar hun kapstok was.

Ook is het zonderling een territorium te hebben zo ver van huis - wel een kwartier fietsen - en er heeft zich al een idiote ongerustheid van mij meester gemaakt over de vraag of het daar 's nachts wel goed gaat. Mijn rubberlaarzen en de helft van mijn tuingereedschap bevinden zich daar, hetgeen natuurlijk ook een manier is om een vlag op mijn bezit te zetten, zoals je je tandenborstel achterlaat in de badkamer van een nieuwe minnaar.

Het idee van de volkstuin heeft ook een moraliserende component; in Frankrijk was een van de redenen van hun creatie de arbeiders uit de kroegen te houden, "détourner l'ouvrier de l'assommoir'; in de inleiding bij een wetstekst uit 1976 over tuinen wordt verwezen naar de "innombrables vertus du jardinage, facteur de santé physique, de santé morale, de sauvegarde de la nature et de la paix sociale' - het werken in een tuin wordt er ook wat medelijdend in beschreven als "le passe-temps favori de l'âge mûr'.

Of ik er al de leeftijd voor heb weet ik niet, maar het aspect dat mij misschien nog het meest aanspreekt is de afzondering, die "eenzelvige en zwijgzame' bezigheid die in staat stelt tot lang en grondig nadenken, kortom de gedachte van de ermitage, die immers in het verleden ook een van de oervormen van het tuinieren is geweest. Zo is de illustratie bij deze 99ste Buitenlust niet een volkstuincomplex, maar een voorziening voor kluizenaars van een middeleeuws klooster bij Turijn. Elke monnik had naast zijn cel zijn eigen tuintje, beplant naar eigen inzichten en anders dan dat van zijn buurman. Ook daar werd vermoedelijk niet veel gesproken. Op de gravure is te zien dat de ramen allemaal aan dezelfde kant zitten, zodat ze niet op elkaars tuinen uitkeken.

Zo'n huisje heeft mijn volkstuin niet. Wel iets met ramen aan alle kanten, namelijk een glazen kas, maar daarover een andere keer.