EIGEN MENSEN

Vlak voor een spreekbeurt probeer ik zo aardig mogelijk te doen tegen iedereen die ik tegenkom. Niet uit vriendelijkheid, maar wegens een foutje in mijn karakter. Ik tracht mijn omgeving namelijk te paaien, uit de stille vrees voor een afgang, een publieke afstraffing, het boe-geroep dat hoort bij de gevaren van elk openbaar optreden. Hoe venijniger het verhaal dat ik van plan ben af te steken, des te behaagzuchtiger ik vlak daarvoor ben. Men moet van mij houden, opdat men mij mijn ondeugendheden zal vergeven.

Maar zo werkt het natuurlijk niet. De gemeenste vijanden wachten juist op zo'n moment van zwakte, wanneer je met een speldeprik om zeep te brengen bent. Wat laatst ook gebeurde. Ik kende de man van vroeger, hij was niet veranderd. Hij dacht zoals hij zich kleedde: slordig, chauvinistisch, tweedehands. En omdat ik hem lang niet had gezien beging ik bovendien de vergissing te denken dat ik hem ook had gemist. In de mildheid van het moment stak ik dus joviaal mijn hand uit, die hij glimlachend vasthield. Ik schreef, zei hij, "leuke stukken', die hij graag las. En toen, met rustige blik: ""Je bent een succesvolle allochtoon, want je bent erin geslaagd de blanken te behagen.''

Als een doffe klap tegen de slaap. Ik wankelde de zaal in om een verhaal te houden over het politieke engagement in de Indiase cinema. Engagement, in de verwarring was ik vergeten waar het woord voor stond. De jongen had mij niet beschuldigd van een gebrek aan betrokkenheid, maar van een verkeerde betrokkenheid. Als migrant diende ik mij in de eerste plaats te vereenzelvigen met mijn "eigen mensen', ik moest de allochtonen vertegenwoordigen en verdedigen tegen de "blanke vijand'. In plaats daarvan zou ik mij hebben gedragen als een Oom Tom, die zijn meester wilde behagen en zijn eigen mensen uit lafheid in de steek liet.

Ie zou er Naipauliaans op kunnen reageren. V.S. Naipaul was een van de eerste gekleurde schrijvers die werden beschuldigd van "pleasing the whites', maar zijn reactie was nogal bot: de kleurlingen die hem van verraad beschuldigden, beschuldigde hij op zijn beurt van domheid. ""Ik voel me geen Westindiër meer'', zei hij tegen een journalist uit Trinidad, ""en ik heb niets met Westindiërs te bespreken.''

Het is een simpel verweer, dat uit gekwetstheid voortkomt, niet uit doordachtheid. Maar is er een doordacht antwoord mogelijk op de stelling dat je als gekleurd schrijver de kleurlingen in de maatschappij behoort te verdedigen? Degenen die zeggen dat de vraag irrelevant is, omdat je altijd en uitsluitend uit je diepste "Zelf' behoort te spreken, hebben geen enkel gevoel voor het dilemma. Natuurlijk ben je naast een zelfstandig individu ook een sociaal wezen dat tot bepaalde groepen behoort en wil behoren. En het is onzin te denken dat je als kleurling in een blanke gemeenschap uitsluitend wordt beoordeeld op grond van je kwaliteit en je talent. Je bent, naast een heleboel andere dingen, óók kleurling. Kleur is nu eenmaal niet neutraal en dat maakt het gekleurd zijn zo vermoeiend.

De vraag kan algemener worden geformuleerd, zoals Hans Magnus Enzensberger het doet: wat is de relatie tussen poëzie en politiek? Volgens Enzensberger ging het al mis bij Plato, die vond dat poëzie moest bijdragen tot de maatschappelijke harmonie. ""In de staat moet men slechts dat deel van de dichtkunst opnemen dat lofliederen op de goden en op de voortreffelijke mensen voortbrengt,'' schreef Plato.

Deze opvatting leidde vanzelf tot de opkomst van de hofdichter, die zich toelegde op de lofzang op de vorst, en tot de poëzie van het feodale tijdperk, die een rechtstreekse uiting was van de afhankelijkheid van de dichter ten opzichte van zijn broodheren. De "bedelstrofen' die in die tijd werden geproduceerd, zijn goed te vergelijken met de revolutionaire geschriften uit het latere communistische tijdperk.

Toch gaat het er volgens Enzensberger niet om of dit soort teksten werd geschreven uit opportunisme, overtuiging of zelfbedrog; het motief van de dichter is slechts de buitenkant van het gedicht. Zo is ook de huidige literatuursociologie enkel geïnteresseerd in de buitenkant, wanneer men vraagt uit welke klasse of groep de auteur afkomstig is, op welke partij hij stemt, welke vrienden hij heeft, wie hem betaalt, voor wie hij schrijft, waarvoor hij zegt op te komen, enzovoort.

Tegenover deze drang om de literatuur te onderwerpen aan de sociologie staat de geborneerdheid van de literaire esthetica, die de literatuur elke politieke rol ontzegt. Politiek is in deze visie te aards om belangrijk te zijn, poëzie en literatuur richten zich op de hogere, universele en eeuwige waarden.

Dit standpunt getuigt van eenzelfde verachting voor het geschrevene als dat van de literatuursociologie, vindt Enzensberger, omdat een tekst noch volledig afhankelijk noch volledig onafhankelijk is van de sociale omstandigheid waarin die is voortgebracht. Als de schrijver zich dient te onthouden van politieke uitspraken, duidt dat niet op een a-politieke, maar op een reactionaire houding.

Enzensbergers eigen conclusie is dat de "taak' van de literatuur bestaat uit de afwijzing van iedere taak. Als de literatuur iets dient, dan is het de anarchie en de subversie.

Is hiermee een subtieler antwoord te geven op de gedachte dat de gekleurde schrijver zijn "eigen mensen' moet verdedigen? De vraag is in de eerste plaats om welke reden het moreel zuiverder is als de allochtone schrijver niet de meerderheid, maar juist de etnische minderheid probeert te behagen. Als niet de blanke, maar de zwarte gemeenschap dicteert wat hij mag schrijven, is het dictaat daardoor toch niet sympathieker geworden? Lofzang en hekeldicht komen wat dat betreft op hetzelfde neer: ze dienen de politiek, niet de literatuur. Ze worden niet beoordeeld op hun schoonheid, maar op hun effectiviteit.

Anderzijds is de "buitenkant' van de literatuur, in ons geval de sociale achtergrond van de allochtone schrijver, net iets belangrijker dan Enzensberger suggereert. De buitenkant dringt zijn werk binnen, als de schrijver put uit zijn herinneringen en uit de ervaringen die hij opdoet in de etnische kringen waarin hij verkeert. Allochtone schrijvers die dus beweren dat ze uitsluitend willen worden beoordeeld op hun kwaliteit, in plaats van op hun huidskleur en afkomst, koesteren een illusie. Ze kunnen niet aan zichzelf ontsnappen, zeker niet als ze willen schrijven. Wat betekent dat ze een politieke verantwoordelijkheid hebben die verder gaat dan de strikte esthetica toelaat.

Het zijn per slot van rekening hun "eigen mensen' die zijn blootgesteld aan vooroordelen en in het ergste geval aan racisme. En gekleurde schrijvers bevestigen juist dat racisme, als hun carrière en hun roem afhankelijk blijken te zijn van hun vermogen om de blanken te behagen door juist hun eigen mensen te beledigen.

Zoals alle andere schrijvers heeft ook de gekleurde schrijver een missie; hij heeft de plicht om naast een heleboel andere dingen ook vooroordelen en racisme aan te vallen. Maar dat kan hij alleen als hij weigert een voortdurende lofzang te houden op de groep waartoe hij zich rekent. Hij hoeft de allochtonen niet te behagen en hij hoeft ze niet te beledigen. Als hij om zijn "eigen mensen' geeft, levert hij op hen net zoveel kritiek als op alle andere mensen. En als dan toch zo'n slordig denkende chauvinist komt vertellen dat de "buitenwacht' hierdoor haar vooroordelen bevestigd ziet, rest slechts een Naipauliaanse reactie.