Een Schiedamse fastbowler voor het Engelse elftal

SCHIEDAM, 20 MAART. Het kan wat worden met zijn kleinzoon, zegt Koos Oosterholt. Zelf is hij bijna 82 jaar en was hij jarenlang topcricketer bij het Schiedamse Excelsior. Oosterholt was in 1941 goed voor tien wickets tegen het vermaarde HCC. Hij is de opa van André van Troost, de talentvolle profbowler. Samen behoorden ze tot het Nederlandse gezelschap dat deze maand een historische crickettrip door Zuid-Afrika maakte. Koos Oosterwolt was eregast. “Hij was, geloof ik, de enige van de groep die niet ziek is geweest.”

André van Troost weet niet of hij als cricketer op zijn grootvader lijkt. Hij heeft hem nooit zien spelen. “De tijden zijn ook niet met elkaar te vergelijken. Het niveau lag vroeger lager. Al beweert mijn opa van niet.” Van Troost zegt wel naar de raadgevingen van zijn grootvader te luisteren. Lachend: “Maar ook weer niet te veel.” “Ach, hij is nog jong”, reageert Koos Oosterholt, zelf een ouderwetse allrounder. “André moet misschien nog wat professioneler worden. Hij kan heel goed bowlen. Ik geef hem wel advies, ja. Hij moet weten waar hij die bal laat, goed zijn pols gebruiken en niet smijten. Ik weet niet of hij naar me luistert. Maar het kan wat worden met hem.”

Niet alleen zijn opa voorspelt André van Troost een mooie toekomst als cricketer. De Engelsen zouden graag zien dat de ruim twee meter lange Schiedammer als qualified player voor hun nationale team gaat uitkomen. Om daarvoor in aanmerking te komen moet Van Troost voor een periode van zeven jaar jaarlijks 211 dagen in Engeland verblijven. Dat is een lange tijd. In eerste instantie sloeg hij het eervolle aanbod ook af. Nu twijfelt Van Troost toch weer omdat hij heeft gemerkt dat er niet zo heel nauw met de regels wordt omgesprongen. “Als Nederlander kun je natuurlijk makkelijk zeggen dat je een paar dagen met de boot naar huis bent geweest.” Hij heeft nu zelfs al twee van de vereiste zeven jaar achter de rug.

Wel beseft Van Troost dat hij indien hij een "gekwalificeerde speler' wil worden niet meer hele - financieel aantrekkelijke - winters in Zuid-Afrika of Nieuw Zeeland mag gaan spelen. Hij kan dan ook de eventuele deelname met Nederland aan het WK van '94 vergeten. Bovendien zal het steeds de vraag blijven of Van Troost na een "wachttijd' van zeven jaar ook daadwerkelijk goed genoeg zal zijn om voor Engeland uit te komen.

Toch staat het idee hem wel aan. Als Engels international lonkt het hele grote geld. Verscheidene toppers uit het in Engeland razend populaire cricket zijn miljonair. Van Troost: “Ze worden overal voor gevraagd. Iedereen wil een lid van de nationale cricketploeg op zijn feestje hebben. Dat is hetzelfde als met Van Basten en Rijkaard in Nederland.”

De Engelse interesse werd hem kenbaar gemaakt via vertegenwoordigers van zijn Engelse club Somerset. “Natuurlijk gaat zoiets niet officieel via de bond. Het zou een beetje raar zijn als een Nederlander wordt gevraagd om voor Engeland te spelen.” Van Troost is een getalenteerde fastbowler en daarvan hebben ze er niet zo veel in Engeland. “Dat heeft te maken met de langzame wickets daar. Het heeft bijna geen zin om hard te gooien. Dat ligt in Nederland anders met die gravel-wickets. Dan vliegen de ballen als raketten om je oren.”

Van Troost zou als "gekwalificeerd speler' zeker geen uitzondering zijn in Engeland. Het huidige Engelse team zit vol met "vreemdelingen'. Van Troost somt de namen op (“Hick, Lamb, Smith, De Freitas...”) en lijkt dan zelf verbaasd door het grote aantal. “Schandalig eigenlijk, hè?” Hij weet dat hij in het komende seizoen de definitieve beslissing moet nemen. “Stel je voor dat het lukt. Dat zou dan toch onbeschrijflijk zijn?”

Het is de enige keer dat hij echt enthousiast klinkt. André van Troost is een nuchter mens. Dat komt hem goed van pas. De Schiedammer is totaal niet geïmponeerd door de topcricketers die hij in de Engelse competitie tegenover zich krijgt. Vroeger zag hij de vedetten alleen op televisie. “Maar ik had geen idool of voorbeeld. Ik keek toen al naar de sterke en zwakke punten van een topspeler. Ik kom jou nog wel een keertje tegen, dacht ik steeds. Ik vind al die verering van topsporters nogal overdreven. Je hebt het of je hebt het niet in de sport. Ik heb veel meer respect voor iemand die zich met studeren van de MAVO naar de universiteit weet op te werken.”

De prof verblijft voor een paar weken thuis bij zijn ouders, op de derde etage van een gewone flat in de Schiedamse wijk Groenoord. Van Troost is geen "kakker', waarvoor tot zijn grote ongenoegen elke cricketer in Nederland wordt aangezien. De club van de familie, Excelsior, is ook een echte volksvereniging. Opa Oosterholt was vroeger betonwerker. Van Troost: “De mensen hier weten niet wat cricket is. Dat moet toch veranderen als we ons voor World Cup van '94 plaatsen. Dan zal het Nederlands team in andere landen hele dagen op televisie zijn. Zal Kees Jansma er dan omheen kunnen om het bij ons ook te laten zien?”

Van Troost werd op 15-jarige leeftijd tijdens een trip met het Nederlandse jeugdteam ontdekt door Somerset. Sindsdien verbleef hij elk jaar voor een bepaalde periode in Engeland. Hij was net zeventien toen hij in het eerste team van Somerset debuteerde, tegen Kent. Pas nadat hij zijn HAVO-studie had afgemaakt kon Van Troost zich volledig op het Engelse cricket richten. Hij speelde afgelopen seizoen voor het eerst de hele competitie mee. Hij ervoer het als een loodzware tijd van reizen en spelen. Er wordt in het topcricket gedurende een half jaar gemiddeld zes dagen per week gespeeld. “Zeven, zou ik eigenlijk zeggen”, reageert Van Troost gevat. “Want op de zevende dag ben ik mijn cricketspullen aan het wassen.”

Van Troost was gewend in Nederland maar één wedstrijd per week te spelen. Gelukkig gaf Somerset hem geregeld rust. “Anders zou ik doormidden zijn gebroken.” Volgens Van Troost klaagt iedereen over het overladen programma. Veel cricketers maken er een opmerking over in "Who is Who', de encyclopedie van het Engelse cricket. Hij staat tegenwoordig natuurlijk zelf ook in die bijbel. Op pagina 517 wordt Adrianus Pelrus van Troost voorgesteld. Zelfs zijn bijnamen worden vermeld, Flappie in Nederland en Rooster - een verbastering van zijn naam - in het buitenland.

Van Troost speelde na de zware competitie in Engeland ook nog in Zuid-Afrika. “Het is mijn beroep. Ik moet snel zo veel mogelijk geld proberen te verdienen.” Hij was al twee maanden in Zuid-Afrika toen het Nederlandse touringteam van manager Klaas Vervelde arriveerde. De lange bowler kwam er voor een club uit Kaapstad uit. Het beviel hem goed in Zuid-Afrika. Het enthousiasme van het publiek was groot. “Cricket is de enige sport waarin ze zich na het opheffen van de boycot kunnen meten met de echte toplanden. De tv laat veel cricket zien en als het nationale team speelt staat dat op de voorpagina's van de kranten.”

De competitie bestaat voor de helft uit zwarte teams en voor de helft uit blanke teams. “Dat lijkt discriminatie, maar dat is het niet. Zwarte spelers mogen ook gewoon bij blanke clubs spelen. Het gebeurt alleen niet zo veel. In Nederland cricketen Pakistanen toch ook samen en voetballen Turken in één club. De clubs van de blanken zijn rijker, maar de zwarten worden door de regering financieel gesteund.”

Bij aankomst in Zuid-Afrika werd Van Troost bij een pleeggezin ondergebracht. Hij vroeg tevergeefs om een auto. Dat veranderde echter snel. Van Troost veroverde in zijn eerste wedstrijd tien wickets en binnen een dag kreeg hij een appartement met drie kamers en een gloednieuwe Ford. Op de auto stond zijn naam vermeld en in grote letters de aanduiding "International Cricketer'.