DOLKRUID

De Natuur als apotheek. Een geïllustreerde encyclopedie van medicijnen uit de natuur door Miriam Polunin en Christopher Robbins 144 blz., geïll., Casterman 1993 (The Natural Pharmacy 1992), f 49,50 ISBN 90 303 1716 7

Medici op leeftijd willen de leek nog wel eens kribbig corrigeren: ""Niet de dokter geneest, maar de natuur. Die spreekt bovendien geen kwaad van collega's.''

Dat lijkt een aardige veer in het achterwerk van de aanhangers van "alternatieve geneeswijzen', maar dat is het niet. Met de natuur wordt hier niet een mand appeltjes bedoeld, maar het menselijk lichaam dat in staat is zelf weer in balans te komen. De arts speelt daarbij een bescheiden rol, soms tamelijk onbescheiden. Hij weet veelal waarmee de natuur een handje geholpen kan worden. De geneeskunde heeft daarmee vooral de afgelopen honderd jaar geweldige vooruitgang geboekt, hetgeen zich gemakkelijk laat aflezen aan de levensverwachting en sterfte bij de geboorte. Dat alles nog los van geweldige technische hoogstandjes als orgaantransplantaties.

De Natuur als Apotheek, een geïllustreerde encyclopedie van medicijnen uit de natuur, wil de lezer hier en daar doen geloven dat al die moderne kennis nou ook weer niet zoveel voorstelt. Onze voorouders of onze broeders en zusters in de rimboe, daar kunnen we nog wat van leren, heet het hier.

Het is zeker waar dat de natuur ook de hedendaagse geneeskunde veel te bieden heeft. Naar schatting vijftien tot twintig procent van het huidige, reguliere geneesmiddelenarsenaal komt direct of indirect voort uit de plantenwereld. Opium, strychnine (uit de braaknoot), bella donna, digitalis, ze dienen allemaal in meer of mindere mate als basis voor verhoudingsgewijs moderne medicijnen. Sommige zijn ook al weer achterhaald, zoals aconitine (uit de monnikskap) dat lang dienst deed als middel tegen reuma.

De alternatieve genezers die de laatste twintig jaar die hang naar de natuur zo hevig propageren, laten één essentieel gegeven meestal weg uit hun evangelie, namelijk dat de natuur de grootste gifkast is die wij ons kunnen voorstellen. Alle oertincturen die de homeopaat bijna tot in het oneindige verdunt, komen uit de natuur en zijn zo toxisch als het maar wezen kan. Salix (salicinezuur) uit de wilgebast is bijvoorbeeld pijnstillend, maar geeft toch nogal wat akelige bijwerkingen als het in het open veld wordt verorberd. Eind vorige eeuw werd het werkzame deel van het molecuul dus geacetyleerd en dat heeft ons het bij normaal gebruik uiterst veilige aspirine opgeleverd. En zo heeft de moderne farmacie van veel moleculen het werkzame deel geïsoleerd, gesynthetiseerd of gecombineerd tot vaak levensreddende produkten.

Tegen die achtergrond is het wat bizar om in dit boek de verheerlijking te lezen van wat Ayurveda, Egypte, de Griekse geneeskunde, de Romeinen, de Chinezen en de Arabieren ons hebben gebracht. In werkelijkheid bakten ze er naar natuurwetenschappelijke maatstaven niks van, en als een medicijn in die oude culturen al werkzaam was, moet van een irrationele toevalstreffer worden gesproken. In de klassieke geneeskunde valt weinig bruikbaars te vinden of het moet de filosofische benadering van Hippocrates zijn. De Romeinen waren vooral goed in amputeren zonder narcose, hetgeen op zich zeker een verdienste was.

Alleen als De Natuur als Apotheker wordt gelezen als een beknopt overzicht van wat handige neringdoenden door de tijden heen hebben bedacht aan goedbedoelde onzin - op een enkele uitzondering na - biedt het boek verrukkelijk doorbladerplezier.