DE ZWOELE TANGO VAN BROODSCHRIJVERS EN POLITICI

Het theater van de politiek door Willem Witteveen 259 blz., Amber 1992, f 34,50 ISBN 90 5093 204 5

Deining aan zee door Jan Tromp 213 blz., geïll., Balans 1993, f 24,50 ISBN 90 5018 207 0

Er wordt tegenwoordig heel wat afgemopperd over de kwaliteit van de Nederlandse politiek. Het echte politieke debat is er niet meer, brommen de journalisten. Het is er wel, maar jullie berichten er niet over, brommen de politici terug. Meer en meer, zo luidt hun klacht, beperkt de journalistiek zich tot triviale human interest. Wat aten ze, wat droegen ze, inplaats van: wat bespraken ze. Politiek is verworden tot theater, daarover lijkt iedereen het eens. De vraag is wie daarvan de oorzaak is: de politicus of de journalist?

Zeker is dat bij dit alles de televisie een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Het boeiende plaatje is immers in het belang van zowel de journalist als de politicus. De een is afhankelijk van kijkcijfers, de ander van exposure. Als PvdA-leider Kok wordt geïnterviewd terwijl hij door een bos kuiert nonchalant gekleed in rode trui, in plaats van stijfjes zittend achter zijn bureau, spinnen ondervraagde en ondervrager daar garen bij. En de zappende consument blijft zelfs nòg wat langer kijken als Kok het dan heeft over zijn eigen zieleroerselen in plaats van over de EMU-norm.

Ook in kranten rukt de vorm steeds meer op ten koste van de inhoud. "WAO, the movie' stond er eind januari in deze krant bij het stuk over het WAO-akkoord. De lezer werd meegevoerd van het wegrestaurant langs de A6 naar de maaltijd van de afhaalchinees bij minister De Vries thuis. Op dezelfde pagina werd ook nog uitvoerig de politieke ""verlies -en winstrekening' opgemaakt: had Brinkman het meeste gezichtsverlies geleden, of was het toch Lubbers? Wat het WAO-akkoord feitelijk inhield, stond weggedrukt aan de zijkant.

Op die manier wordt na de televisie ook de krant steeds meer een eendimensionaal beeldverhaal. En zo dreigt de bekende vicieuze cirkel: omdat het uiterlijk bepalend is, leggen politici zich daar steeds meer op toe en bericht de pers uit Den Haag alleen nog maar over uiterlijkheden. Ter omschrijving van dat verschijnsel introduceerde Thijs Wöltgens, PvdA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, in zijn recente boekje Lof van de politiek het begrip "epideïktische ziekte'. De relatie tussen kiezers en politici lijkt volgens hem steeds op een top-of-flop-wedstrijd, met de politici als spelers en de kiezers als jury. ""Verslaggevers houden precies bij welke regie, tactiek, eventueel zelfs welke strategie gekozen wordt om de jury te beïnvloeden,' schreef Wöltgens, ""Van lieverlede gaan politici weer reageren op de discussie over de mise en scène, tactiek en vooral over hun stand op de ranglijst.'

ACHTERKAMERTJES

En inderdaad: ze zijn er niet meer, de heren van weleer die nauwkeurig verslag deden van wat er zich in 's lands vergaderzaal afspeelde, beginnend met de opening door de voorzitter en eindigend met de sluiting van de beraadslagingen. Politici zoeken de achterkamertjes op, de journalisten gaan hen achterna. Voor beide partijen is zodoende de noodzaak voor aanwezigheid in de enige echte vergaderzaal minder urgent.

De WAO werd geregeld bij minister De Vries thuis in Bergschenhoek en de journalisten deden daarvan verslag. Zo goed mogelijk, want openbaar was de bijeenkomst niet. Terug in de Tweede Kamer bleek het achter gesloten deuren beklonken akkoord geen enkele wijziging meer toe te laten. Het leidde tot een gratuite uitwisseling van de bekende standpunten.

Het gevolg was dat ook in de journalistiek de discussie voor gesloten werd verklaard. De meeste aandacht van de pers ging uit naar de boosheid van Lubbers, de zenuwen van Brinkman, het jennen van Linschoten en het zwijgen van Wöltgens. Over de WAO-maatregelen zelf, die gevolgen zou hebben voor ten minste 800.000 mensen, repte niemand. Voor de Haagse coterie, politici en journalisten gelijk, was de inhoud een gepasseerd station.

Daarmee verzaakt de pers op een lelijke manier haar primaire taak, schreef de Leidse hoogleraar parlementaire geschiedenis Joop van den Berg in oktober 1991 in de Volkskrant: ""De journalist heeft het glas van de democratische kaasstolp dubbelwandig gemaakt in plaats van er gaten in te slaan.' Zijn collega Willem Witteveen, hoogleraar rechtwetenschap aan de Katholieke Universiteit Tilburg, zegt het hem na in zijn onlangs verschenen boek Het theater van de politiek. Politiek nieuws wordt vaak niet gerapporteerd, maar gemaakt, stelt hij vast. Dat geldt zowel voor de pers als voor de politici. Volgens hem is het een vergissing journalisten louter voor te stellen als passieve brengers van nieuws. Integendeel, ook zij moeten hun boodschap vormgeven, verpakken en verkopen.

Witteveen promoveerde enkele jaren geleden op het onderwerp "retoriek in het recht' en hij maakte voor zijn nieuwe boek een case study van de gang van zaken rond de paspoortaffaire in 1988. Hij vraagt zich af of de gewone burgers met de paspoortaffaire een ""zinvol verhaal' voorgeschoteld hebben gekregen, en of de pers een doorslaggevende invloed heeft gehad op het verloop van de gebeurtenissen. Witteveen meent van niet. Het tempo is verhoogd en de gebeurtenissen geïntensiveerd door de berichtgeving, maar de pers heeft in de paspoortaffaire geen nieuwe onderwerpen in de "politieke communicatie' binnengebracht.

"DAVERENDE DREUN'

Maar hoe staat het met de opvatting van de Haagse journalisten zelf? Onlangs namen twee routiniers afscheid. Trouw-redacteur Willem Breedveld is na vijfentwintig jaar Den Haag naar de redactie in Amsterdam verhuisd. Volkskrant-journalist Jan Tromp - eerder op het Binnenhof actief voor de Haagse Post en de VARA - hield het na zestien jaar voor gezien. De eerste nam bescheiden en niet zonder zelfkritiek afscheid, de tweede om in diens eigen terminologie te blijven met ""een daverende dreun'. Breedveld ging weg met een symposium over de rol van de media in het publieke debat, Tromp met Deining aan zee, een boek waarin de politici voor de laatste maal worden gewaarschuwd.

Tromps bundel van (bewerkte) stukken die eerder in zijn gelijknamige rubriek in de Volkskrant verschenen, handelt over de Haagse politiek, maar is tegelijkertijd een extreem voorbeeld van Haagse journalistiek zoals die steeds meer ter discussie komt te staan. Bij gebrek aan meeslepend debat neemt de journalist het heft in eigen hand, want het moet voor de lezer wel leuk blijven. Anders gezegd: Tromp bedrijft kleedkamer-journalistiek in optima forma, stopt er nog een hoop Dichtung bij en is daarmee een levende bevestiging van de zorgen die Breedveld bij zijn eigen afscheid uitte.

Wat de Trouw-journalist zijn collega's verweet, was dat zij niets tegen de groeiende obsessie met personen en incidenten doen, maar ""meedobberen' op de golven van de waan van de dag. ""De grootste ramp is dat politici en journalisten zo geobsedeerd zijn door elkaar, zozeer elkaars gevangene zijn geworden, dat zij het zicht op de samenleving als geheel dreigen te verliezen', schreef hij onlangs in zijn krant.

Tromp koestert de verknoping tussen journalisten en politici juist. In zijn boek betitelt hij de politieke journalistiek als ""een tango van lokken en afweren, een spel van neigen en wijken tussen de broodschrijver en de politicus.' Sterker nog: ""Je hebt vriendschappen nodig voor vijandige stukjes. Je moet intiem zijn om afstandelijke stukjes te kunnen maken.'

Bedoelt Tromp hier echt dè journalist in het algemeen of eigenlijk alleen zichzelf? Kan een journalist werkelijk niet functioneren zonder vriendschappen in de politiek? Als dat zo is, lopen er veel slechte journalisten rond in Den Haag! In werkelijkheid zijn de meeste vriendschappen in de politiek natuurlijk volstrekt instrumenteel. Tromp is een van de eersten die dat zou moeten weten.

Zelf stond Tromp steevast op dinsdagmiddag, kort voor aanvang van de wekelijkse vergadering, strategisch in de wandelgangen opgesteld zodat Kamerleden hem niet konden ontwijken. En hoe vaak kreeg hij dan niet te horen: ""Leuk stukje vanmorgen Jan!'. Want ze moesten er eigenlijk wel om lachen, die politici, als één hunner collega's weer eens in Tromps hoekje was uitgemaakt voor lamstraal, slijmjurk, pluimstrijker, roomse gluipkoe, onderkruiper, geilaard, irritant stuk vreten of jezuïet.

Nu passeren ze nog één keer de revue in zijn boek, dat bedoeld is als ""oorvijg ten afscheid die nog lang na zal klinken'. De oproep klinkt aan de politici meer durf te tonen, de intellectuelen wordt gevraagd de lamlendigheid niet te aanvaarden, de lauwaards uit de tempel te verdrijven, en de politiek een persoonlijk stempel te verschaffen. Grote woorden, maar de stijl Tromp kent dan ook alleen maar grote woorden. Verloedering heet bij hem ""teringzooi', politici worden ""genaaid' en ze gedragen zich ""als pubers'.

KRUIPKNIEËN

In dit boek blijkt duidelijker dan ooit dat Tromps stukken een mengeling zijn van feiten, fictie en opinie. Hoe groter de ellende, des te ronkender hij schrijft. Zonder drama geen stuk. Als er een een PvdA-bijeenkomst in Zuid Limburg is geweest, maakt Tromp er van: ""Naar de onderbuik van Limburg geweest, naar Heerlerheide, naar het hart van de stoflongen, de oogbibber, de steenzweren, de kruipknieën en de mijnwormen die naar u toespringen, zich naar binnen vreten, naar uw hart en lever.' En over Brinkman schrijft hij: ""CDA-leiders vòòr hem wisten de vergelijking met een bak erwtensoep of een reformatorisch huisorgel vrijwel glansrijk te doorstaan. Brinkman leek te frivool hiervoor.'

Mooie zinnen, maar de relatie met de dagelijkse politiek is ver weg. Nu hoeft deze er niet per se te zijn als je literair proza wilt schrijven, al dan niet met een enkele van Bomans geleende beeldspraak zoals in Deining aan zee. Maar die relatie moet er wèl zijn als je de pretentie hebt de politiek te beschrijven en ook nog te willen verbeteren. En die pretentie heeft Tromp. Zoals in zijn slothoofdstuk: ""De lauwheid lijkt norm geworden. Hoe aardig zou het zijn als we authentieke, eigenzinnige politici hadden die de openbaarheid en de democratische discussie niet zouden schuwen, maar deze zouden liefhebben.'

Gelijk heeft hij, maar als de analyse daarbij blijft, is het wel erg mager. De kritiek is dan niets meer dan nostalgisch verlangen. Wel vaker wordt gesteld dat het aanzien van de politiek beter zou zijn als de hoofdrolspelers uit de jaren zeventig er nog waren. Leuke tijden waren het toen met Den Uyl, Wiegel, Van Agt, en Vredeling. Maar was hun dynamiek nu leuk voor het land of leuk voor de coterie rond Het Binnenhof?

Wie zoals Tromp de oorzaak van ""de matheid' geheel legt bij personen, heeft verzaakt de volstrekt gewijzigde omstandigheden in Nederland en in de wereld te doorgronden. En dat is iets wat je een journalist kwalijk kunt nemen.

Uiteindelijk zal Tromps remedie, meer spektakel in de politiek, dan ook niets helpen. Zij leidt slechts tot verdere personifiëring van de politiek en daarmee tot een verheviging van de "epideïktische ziekte'. Hoe saaier de politiek, des te gelukkiger het land, zei VVD-fractievoorzitter Bolkestein in 1990. De onderzoeken geven hem gelijk. Nederland is een tevreden natie, blijkt keer op keer. Ondanks die paar ontevreden journalisten aan Het Binnenhof.