De anti-held

De mannen en de vrouwen die het succes van organisaties belichamen worden helden genoemd door degenen die zich bezighouden met het bestuderen van organisatieculturen. Helden vertegenwoordigen de waarden en de normen, kortom de cultuur van het bedrijf. Anderen kunnen zich met hen identificeren. Helden zijn gemakkelijk als zodanig te herkennen. Het zijn de mensen die iedereen bij de voornaam noemt behalve als ze erbij zijn. Wisse Dekker, Sylvia Tóth en recentelijk Eckart Wintzen.

De laatste tijd doet zich echter een opmerkelijk verschijnsel voor. Ook leiders van notoir onsuccesvolle bedrijven genieten plotseling de eer bij de voornaam te worden genoemd. De anti-held is opgestaan. De heer Baan blijkt Cor als voornaam te hebben. Joep van den Nieuwenhuyzen is, nadat drie van zijn bedrijven in moeilijkheden zijn gekomen, zo snel van held anti-held geworden, dat hij zijn voornaam niet eens hoefde in te leveren. Blijkbaar valt het ons moeilijk mensen die ons in positieve of negatieve zin emotioneren afstandelijk aan te duiden met meneer of mevrouw.

Los van de laatste bespiegeling betekent het ontstaan van het verschijnsel anti-held dat managers in de belangstelling staan. Bij het zoeken naar de ware schuldige voor de toestand waarin ons bedrijfsleven verkeert, zijn zij aan de beurt. Velen gingen hun daarbij voor: de regering, het departement van economische zaken zouden verzuimd hebben op tijd een adequaat industriebeleid waar te maken. Andriessen (Koos!) hield tevens uitverkoop van Nederlandse sleutelindustrieën. Financiers, in het bijzonder de banken, handelden slechts uit winstbejag en zouden daarmee de verantwoordelijkheid dragen voor het verloren gaan van vele arbeidsplaatsen in onze industrie. Zij verstrekten keer op keer paraplu's die bij regen niet konden worden gebruikt, aldus pers en vakbonden. Eind 1992 stortten de media zich op de organisatie-adviseurs. Er zouden er te veel zijn, de kwaliteit zou te wensen overlaten. Quote en de Volkskrant maakten in smakelijke verhalen duidelijk dat hier sprake is van een parasitaire bedrijfstak, verantwoordelijk voor veel van het hedendaags leed. Commissarissen kregen hun veeg uit de pan. Zij zouden te veel zware nevenfuncties hebben en directieleden te goed kennen om hen nog te kunnen of durven controleren. Het roept herinneringen op aan "de 200 van Mertens'.

In deze reeks van monocausale verklaringen worden nu dus de managers als hoofdschuldigen opgevoerd. Het bontst maakte prof. Ophof, bewindvoerder van Ogem het in dit verband, in een artikel dat hij schreef op de opiniepagina van het Algemeen Dagblad van 2 maart 1993. Deconfitures en saneringen zijn in zijn ogen geheel en uitsluitend te wijten aan managers, aan hun gebrek aan oplettendheid en planning en hun neiging onpopulaire maatregelen uit te stellen.

Ophof heeft natuurlijk gelijk als hij stelt dat sommige managers veel hebben bijgedragen aan de slechte gang van zaken in het Nederlandse bedrijfsleven. Hij verliest echter twee dingen uit het oog. In de eerste plaats is de levenscyclus van een manager meestal veel korter dan die van een conjuncturele golf. Dat betekent dat de managers die nu tot anti-held zijn gedegradeerd vaak degenen zijn die de fouten van anderen en niet van zichzelf proberen te corrigeren. Dat geldt voor Cor (met permissie) Baan, dat geldt goeddeels ook voor Joep (idem) van den Nieuwenhuyzen ondanks de pech die RDM had door de politieke vete over Taiwanese onderzeeërs. Op zijn palmares prijken vele bedrijven die door hem uit de klauwen van onbekwame managers zijn gered.

In de tweede plaats is een slechte manager alléén meestal een onvoldoende verklaring voor een echec. Hetzelfde geldt voor een slecht industriebeleid of een slechte financier of een slechte adviseur of slechte commissarissen. Voor een ongewenste gang van zaken zijn altijd meer oorzaken tegelijk aan te wijzen. Het samenstel van factoren die de moeilijkheden veroorzaken is bij elk bedrijf uniek.

En daarmee kom ik tot de kern: op het departement, op Andriessen, op de banken, op adviseurs, op managers en op commissarissen, op allemaal valt het een en ander aan te merken. Alle betrokkenen hebben moeite gehad zich aan te passen aan een periode van baisse na tien jaar hoogconjunctuur. Daardoor zijn een aantal bedrijven in ernstige, sommige in onoverkomelijke moeilijkheden geraakt. Een depressie maakt dat soort zaken zichtbaar en dat maakt correcties gelukkig mogelijk. Maar het is niet professioneel om de problemen aan één categorie toe te schrijven. En het is goedkoop om steeds weer in de bewijsvoering de bekende slechte voorbeelden breed uit te meten en de onbekende, maar statistisch vaker voorkomende variant ongenoemd te laten. Mensen die zich om den brode met bedrijven bezighouden, zoals bewindvoerders, journalisten en organisatie-adviseurs, dienen zich te onthouden van dit soort simplificaties.