Bij de damesbond is korfbal meer een bezigheidstherapie

ROTTERDAM, 20 MAART. Het Internationaal Olympisch Comite heeft deze week korfbal erkend als olympische sport. Een troostprijs voor de liefhebbers van dit spel die beseffen dat deelname aan de Spelen een illusie is. Maar korfbal wordt tenminste voor vol aangezien. Het gemengde en grotendeels Nederlandse karakter schaadt volgens de buitenwereld de reputatie van de sport. Volgens de spelers en speelsters heeft een gemengde sport juist zijn charme.

De zaalfinale tussen PKC en Deetos, vanavond in een uitverkochte Ahoy'-hal, geldt als een beladen duel. De derby van de Merwestreek roept emoties op. En de dubbelfunctie van Ben Crum wordt in Rotterdam eens te meer aan de kaak gesteld. Bondscoach Crum heeft geen spelers van de PKC-coach Crum geselecteerd. “Oranje draait ook goed zonder hen”, zegt Crum. “Nee”, zeggen de andere clubs, “Crum spaart zijn Papendrechtse pupillen voor de competitie.” Die wordt zaterdag beslist. Het Dordtse Deetos treedt met zes internationals aan. Onder hen Mirelle Fortuin, die door de lezers van het korfbalmagzine werd uitgeroepen tot korfbalster van het jaar. “Het is wel een beetje vreemd van Crum. PKC verkeert in een bloedvorm. En bij ons zijn de internationals juist niet in goede doen.”

De 24-jarige Fortuin komt niet uit een korfbalnest, is niet christelijk opgevoed en speelt geen ondergeschikte rol in het veld. Toch pleit ze voor de korfbalcultuur. “Ik vind het alleen maar leuk met jongens te spelen. Bij andere sporten zie je dat de vrouwen er maar een beetje bij hangen. Zitten aan een apart tafeltje. Bij korfbal heerst geen macho-cultuur, maar moet ik daar rouwig om zijn?” Teamgenoot Hans Leeuwenhoek gaat soms te ver, vindt ze. Die presteerde het zelfs voor de camera zijn middelvinger op te steken. “Maar normaal gesproken heb ik geen moeite met hem.”

Mirelle Fortuin is geen "paaldame'. Nooit geweest ook. Zij laat zich niet wegdrukken door het mannelijke geweld. Niet bij de jeugd in Zwijndrecht, niet bij Deetos en ook niet in het Nederlands team. “Bij Deetos hebben de vrouwen een belangrijke rol. Wij staan niet altijd bij de korf om aan te steunen of af te vangen. En de mannen staan niet alleen in de spits. Natuurlijk zijn zij groter en sterker, maar verder is er geen verschil. Wij krijgen dezelfde training. Soms oefenen wij tegen elkaar, als er een oneven aantal is.”

De korfbaldefinitie de heren bepalen de klasse, de dames de hoogte in de klasse, lijkt achterhaald. Maar recente statistieken maken duidelijk dat de mannen meer scoren. In de twee voorafgaande seizoenen was zeventig procent van de doelpunten in de hoofdklasse afkomstig van een mannelijke hand. Opvallend is wel dat de PKC-vrouwen de laatste twee seizoenen met een score van veertig procent ruim boven het landelijk gemiddelde presteerden.

Mirelle Fortuin komt op voor de vrouw. “De mannen nemen alle strafworpen. En dat zijn er al gauw zes per wedstrijd.” Een vertekend beeld dus, of is juist die specialisatie de graadmeter die het verschil tussen de mannen en de vrouwen aangeeft? Een verschil van bijna tien centimeter. Fortuin is met haar 1.73 aan de kleine kant. De meeste meisjes zijn een paar centimeter langer, de mannen vaak meer dan een decimeter. “Maar wij schieten zuiverder”, houdt Fortuin vol. Het computerbestand op het bondsbureau bevat nog geen gegevens die Fortuins mening kunnen toetsen. In de twee hoofdklassen is geen vrouwelijke trainer-coach te vinden. Wel in de lagere regionen. Of bij de NDKB, de damesbond die in 1947 in het leven werd geroepen. In het katholieke zuiden gaf de pastoor geen toestemming voor gemengde sportbeoefening. De jongens uit het dorp gingen voetballen. De meisjes speelden korfbal, aangemoedigd door de katholieke meisjesbeweging. De dameskorfbal-bond telt momenteel bijna 10.000 leden. Het KNKV (de gemengde bond) heeft er bijna honderdduizend. In de jaren zeventig had de NDKB nog 13.000 leden. Vrouwencoach Jan Wielink: “Sinds die tijd zijn de teamsporten in de verdrukking geraakt, maar de laatste jaren is het aantal leden ongeveer gelijk gebleven.” Wielink is niet de enige mannelijke coach bij de damesbond. “Zelfs in het hoofdbestuur is de verhouding fifty-fifty.”

In de provincies Gelderland (rond Nijmegen), Brabant en Limburg spelen 135 clubs vrouwenkorfbal. “De sport is niet te vergelijken met het gemengde korfbal. Er zijn maar weinig vrouwen die in de hoofdklasse mee zouden kunnen”, zegt Wielink die verder verklaart weinig vrienden bij de NDKB te hebben. “Zij maken geen body. Voor de meesten is het meer een bezigheidstherapie. Naast het zangkoor en het toneelgezelschap doen zij ook aan korfbal. Niet echt professioneel dus. En de goede coaches werken bij de clubs.”

Wielinks woorden sluiten aan bij het sportbeleid van WVC. Het ministerie adviseert de beide korfbalbonden een fusie voor te bereiden. De damesbond krijgt vanaf volgend jaar geen subsidie meer, maar kan zonder overheidssteun niet overleven. Over twee maanden mogen de leden van de damesbond beslissen of de NDKB op gaat in het KNKV. De onderhandelingen zijn al in volle gang. De damesbond krijgt op papier de garantie dat een aparte vrouwen-competitie blijft voortbestaan. Maar het is de vraag of dit typische produkt van de verzuiling de twintigste eeuw overleeft. Op 1 januari 1994 kan de fusie al een feit zijn. Een ding is zeker: de vrouwen blijven in de meerderheid.