ANGST

Angst in de dagelijkse praktijk door Frans de Jonghe 96 blz., Aramith 1992, f 21,50 ISBN 90 6834 086 7

"Uit angst voor de pest staken sommige mensen zich de ogen uit, zo grimmig was de doodsangst die zich van hen had meester gemaakt.' Aldus verhaalt de Romeinse dichter Lucretius uit de eerste eeuw voor Christus in De rerum natura over de verschrikkingen van de pestepidemie in Athene. Maar het allerberoerdst er aan toe, vervolgde hij, was degene die zich net door de ziekte wist aangetast en daardoor, als een ter dood veroordeelde, alle moed opgaf met als gevolg verstilling van motoriek en ademhaling. Dit lijkt me een voorbeeld van reële angst, zij het van een extreme intensiteit.

In zijn boek Angst in de dagelijkse praktijk biedt de Amsterdamse hoogleraar in de psychiatrie Frans de Jonghe een veelomvattend overzicht van de diverse soorten menselijke angst zonder dat hij alles nu maar direct als pathologisch bestempelt. Net als in Eline Vere bij de psychiater (1991) viel me in dit boek opnieuw de didactische gave en heldere stijl op van deze auteur. Helder is bijvoorbeeld het onderscheid dat De Jonghe maakt tussen realistische en irreële angst voor echt, respectievelijk vermeend gevaar. Ook het verschil tussen anticipatie-angst en de paniekaanval lijkt me voor de praktijk van belang.

Zonder dat deze expliciet wordt genoemd, speelt op de achtergrond voortdurend de indeling van de Amerikaanse bijbel op het gebied van psychiatrische stoornissen, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. In ieder geval geeft De Jonghe veel statistische en quasi-statistische informatie in de trant van ""In de afgelopen zes maanden leden naar schatting honderdvijftigduizend mensen in Nederland aan een obsessief-compulsieve stoornis'. Nu zullen dit soort getallen voor een psychiatrisch onderzoeker ongetwijfeld interessant zijn. De algemene lezer voor wie dit boek in de eerste plaats bedoeld is, zal eerder een goed verhaal verwachten waarin men de klachten van zichzelf, een familielid of iemand uit zijn directe omgeving herkent.

In dit opzicht voldoen de beknopte gevalsbeschrijvingen aan het begin van elk hoofdstuk dan ook veel beter. Neem bijvoorbeeld de keurige meneer van bijna veertig. Zijn leven is piekfijn geregeld, sex gaat precies volgens de regelmaat van de klok, maar een blik op het boek WordPerfect op zijn bureau kan genoeg zijn om in gedachten urenlang "WordPerfect' te moeten herhalen. Op zijn werk is hij besluitvaardig wanneer het gigantische geldbedragen betreft, privé kan hij dagen twijfelen over een kleine aanschaf. Zijn ochtendtoilet is een tijdrovend ritueel; gaat er iets mis, dan moet het hele ritueel over.

Deze "privé-gekte' heeft hij altijd onschuldig gevonden, maar dat veranderde toen hij plotseling de gedachte niet van zich af kon zetten dat in rioolbuizen langs de weg kinderlijkjes verstopt zaten. Hij kreeg ook steeds meer last van "wasdwang', vooral als hij iemand een hand had gegeven. Langzaamaan groeide de angst dat hij gek aan het worden was. Na diagnose kwam er duidelijkheid: de man had last van een obsessief-compulsieve stoornis.

Angst in de dagelijkse praktijk is een klein herbarium van menselijk verdriet. De lezer komt een hoop te weten over de achtergrond en de behandeling (ook psychotherapie) van de paniekstoornis, agorafobie, sociale fobie, eenvoudige fobie, algemene angststoornis, posttraumatische stress-stoornis, maar ook angststoornissen in het kader van uiteenlopende psychiatrische ziektebeelden (zoals schizofrenie) of een persoonlijkheidsstoornis. Slechts een enkele keer dwaalt de auteur af naar de collegezaal, als hij er op wijst dat ""de posttraumatische stress-stoornis niet mag worden verward met de andere angststoornissen en met de depressie, waarmee zij vaak gepaard gaat'. Arme studenten, laat staan lezers, wat moeten ze nu van dergelijke verwarrende "dubbeldiagnosen' denken?

De auteur is op zijn best waar hij zijn academische wortels even "vergeet'. Bijvoorbeeld waar hij uitlegt dat mensen niet zelden na de verwerking van een ernstig trauma menen dat hun leven dieper, rijker, meer zinvol is geworden, ondanks het leed dat dan vaak nog bestaat. Daaraan gaat vaak een herziening van de visie op zichzelf en de wereld vooraf. De zin van een ernstig psychotrauma kan dan zitten in de ontdekking: ""Ik ben geen held.'