Wie arrogant is kan geen Bach spelen; Yo-Yo Ma en het gemak van de cello

In de serie carte blanche die volgende week in het Amsterdamse Concertgebouw begint, doet de cellist Yo-Yo Ma uitsluitend dingen die hij nog maar weinig deed. Zo koppelt hij de cello aan een aantal computers, speelt hij op een barok-cello met het orkest van Ton Koopman en combineert hij zichzelf met Ernst Reijseger, de "wild and crazy guy' van de cello. De manier waarop iemand muziek maakt is belangrijker dan het onderscheid tussen de genres, vindt Ma.

Carte blanche voor Yo-Yo Ma; 26, 28, 30 en 31/3 (om 20.15u) en 28/3 (om 10.30u) Jeugdconcert, in het Concertgebouw in Amsterdam.

Als we de vijf concerten die Yo-Yo Ma (37) vanaf volgende week vrijdag zal geven in het Amsterdamse Concertgebouw aftrekken van zijn jaarlijkse totaal, blijven er voor de rest van de wereld dit jaar niet meer dan vijfentachtig mogelijkheden over om de beroemde cellist te horen. Een aantal daarvan is bovendien besloten, want ook uitvoeringen op een bruiloft, begrafenis of barmitswa van vrienden gelden als een concert. En na negentig concerten, inclusief negen benefietconcerten (tien procent van het totaal), sluit Ma zijn agenda.

“Toen ik een aantal jaren geleden moest beslissen of ik de Stradivarius zou kopen, waarop ik inmiddels vier jaar lang had gespeeld, heb ik getwijfeld of ik niet gewoon veel meer concerten moest gaan geven om hem te kunnen betalen,” zegt de Chinees-Amerikaanse Yo-Yo Ma. “Het is een uniek instrument met een prachtige klank. Ik had het geleend van Jacqueline du Pré, die er door haar ziekte niet meer op kon spelen. Maar het instrument was voor mij te duur en de concessie om veel meer concerten te geven wilde ik niet doen. Cellospelen is leuk, maar niet cellospelen is soms ook heel leuk. Ik wil tijd overhouden voor mijn vrouw en mijn twee kinderen. Als ik over twee jaar veertig word, neem ik een lange vakantie.”

Als door een wonder speelt Ma echter nog steeds op de Stradivarius die hij zelf niet kon betalen. Rijke vrienden hoorden dat hij het instrument had ingeleverd en besloten om het voor hem te kopen. Ma heeft de cello van hen in levenslange bruikleen gekregen.

Ma: “Het is de derde keer dat dit instrument aan een cellist is geschonken. De eerste keer was in 1863. De Russische graaf en amateurcellist Wilhorsky zei op zijn zeventigste verjaardag tegen de beroemde cellist Carl Davidov: "Ik voel me heel gelukkig vandaag, want morgen schenk ik je mijn cello.' Meer dan twintig jaar heeft Davidov op het instrument gespeeld, na zijn dood is het naar hem vernoemd. Daarna verdween de cello in de anonimiteit. Hij overleefde de Russische revolutie, kwam in Parijs en later in Amerika terecht. In de jaren zestig werd hij anoniem aan Jacqueline Du Pré geschonken.

“Het viel me zwaar om na vier jaar afscheid te nemen van de Davidov. Ik zei steeds tegen mezelf: "Het is maar een cello, het is geen mens. Je moet je niet te veel aan dingen hechten.' Toen ik hem daarna alsnog terugkreeg, gebeurde er iets merkwaardigs. De klank had zich weer helemaal opgesloten en het heeft zeker negen maanden geduurd, voordat ik het stralende geluid terugvond. Het was alsof ik een dode tot leven moest wekken.”

Wat is er zo bijzonder aan een Stradivarius?

“Ik zou nu natuurlijk moeten beginnen over de ziel van het instrument. Helemaal onzinnig is dat overigens niet. Maar in de eerste plaats is een cello een resonerende doos. Doordat het hout gekromd is, staat er voortdurend spanning op, waardoor een cello bijvoorbeeld luider klinkt dan een gitaar, die een rechte rug heeft. De klank van een cello wordt door veel factoren bepaald, door de houtsoort, de ouderdom van het hout, de souplesse van de vezels, de hardheid van de lak. De klankkleur is afhankelijk van de structuur van de boventonen, en die is bij een Stradivarius heel gecompliceerd. Bovendien heeft het geluid van een Strad een enorme reikwijdte. Je kunt het vergelijken met licht. Een gewoon instrument verspreidt zijn geluid als een zaklamp, een Strad heeft de concentratie van een laserstraal, die is op de achterste rij nog goed te horen. Iets anders is voor mij echter veel belangrijker. Ik heb het gevoel dat de Davidov een verbeelding heeft die sneller is dan die van mij.”

Het is een kille ochtend, eind augustus 1992. Yo-Yo Ma is in Amsterdam om alvast een voorproefje te geven van de serie "Carte blanche' die hij eind maart in het Concertgebouw zal verzorgen. De avond voor ons gesprek gaf hij een masterclass aan vier jonge Nederlandse cellisten, gevolgd door een feestelijke receptie. En deze avond zal hij een tweede uitputtingsslag leveren door alle zes Cellosuites van Bach te spelen in een ruim vier uur durend marathonconcert - de derde keer in zijn carrière dat hij dat doet.

Pornografie

Er zijn niet veel musici van het kaliber van Yo-Yo Ma die bij zo'n druk bezet programma tussendoor ook nog uitgebreid de tijd nemen voor een interview. Ma: “De bekendheid geeft mij een bepaalde mate van vrijheid. Ik kan mijn eigen concerten kiezen en gemakkelijk nee zeggen als ik iets niet wil. Maar dat brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. In Amerika is er na afloop van een concert bijna altijd een druk bezochte ontvangst van de sponsor. Na een concert ben ik doodmoe, maar ik vind niet dat ik me daaraan kan onttrekken. Ook voel ik me verplicht om mijn bekendheid soms te gebruiken om ergens voor of tegen te pleiten. Bezuinigingen op de Amerikaanse kunstbegroting bij voorbeeld - terwijl de hele VS jaarlijks toch al nauwelijks een vijfde uitgeeft van wat een stad als Berlijn voor kunst over heeft. Daar moet ik me tegen verzetten. Zoals ik ook heb geprotesteerd tegen het verbod op zogenaamd pornografische kunst. Je moet de beroemdheid van een klassieke musicus trouwens niet overschatten. Ik ben geen David Bowie.”

Voor de Cellosuites die Ma die avond zal spelen heeft hij zijn Stradivarius een halve toon lager gestemd, om iets van een barokarticulatie te kunnen suggereren. Maar Ma speelt Bach niet op een "authentiek' instrument (met darmsnaren en zonder grond-steun) en vindt dat ook niet nodig. Dat hij in een van de komende concerten wel op een barokcello zal spelen, in een concert met Ton Koopmans Amsterdam Baroque Orchestra, is vanwege de uitdaging, en niet omdat het muzikaal verantwoord zou zijn.

Ma: “Ik geloof niet dat er vaste regels zijn om een muziekstuk uit te voeren. De partituur is een gids, de musicus moet proberen die te begrijpen. De verbeeldingskracht van een componist als Bach is zo veel groter dan die van mij, dat ik niet moet proberen daarmee te concurreren. Maar ik leef wel in een andere tijd dan Bach en zal dus iets met zijn verbeeldingskracht moeten doen, om die vandaag nog betekenis te geven.

“Om Bach te begrijpen, moet je iets van zijn wereld begrijpen. In zijn muziek klinkt een voortdurend besef van de eeuwigheid. Maar wat was die eeuwigheid voor hem? Alleen een gevoel? Ving hij er meer van op dan een glimp? Was het een visioen, een beeld van engelen en heiligen? Of ik daar nou in geloof of niet, iets van dat besef moet ik als musicus overbrengen. Je kunt niet arrogant zijn en Bach spelen.

“Deze dingen zijn voor mij net zo belangrijk als het bestuderen van de muzikale bronnen om daarmee een soort historische zuiverheid in uitvoeringen te bereiken. Ook schijnbaar futiele details kunnen een musicus veel vertellen over de aard van een interpretatie. Om bij voorbeeld een gigue goed te spelen, is het nuttig te weten dat het Duitse woord Geige ervan is afgeleid. In de middeleeuwen speelden rondtrekkende vertellers om aandacht te trekken vaak een gigue op hun strijkinstrument, dat daardoor de naam "Geige' kreeg. Kennelijk had een gigue vroeger een hoge attentiewaarde. Als ik een gigue uit de Bachsuites speel, kan ik dat mooi laten horen.”

Heilig

“Voor een cellist zijn de suites waarschijnlijk het allerhoogste. Neem de sarabande uit nummer vijf. Er is eigenlijk alleen een melodische lijn, maar toch hoor je ook de polyfonie. Het zijn slechts twintig maten, honderdacht noten, maar daarin klinken zowel verdriet en wanhoop, als verlangen en hoop. Zelden was een componist in staat een zo geconcentreerd muziekstuk te schrijven.

“Pablo Casals heeft van de Bach-suites heilige composities gemaakt. Hij ontrukte ze aan de vergetelheid maar maakte er onbewust ook een soort mini-Himalaya van voor de cellistengeneratie na hem. Het is niet toevallig dat Rostropovitsj nog nooit een opname heeft gemaakt van de suites.”

Wat vindt u het meest aantrekkelijk aan een cello?

“Op mijn vierde speelde ik viool, maar daaraan had ik niet genoeg. Ik wilde vooral een groot instrument. Vandaar dat ik gekozen heb voor de cello - als ik op reis ben, zou ik tegenwoordig wel eens willen dat het instrument wat kleiner was. Ik ben heel blij met mijn keuze. Cello spelen gaat mij gemakkelijk af, alsof ik voor het instrument gebouwd ben. Ik hou van de cello vanwege zijn grote toonomvang. Je kunt klinken als een viool of altviool, je kunt melodieën spelen en baslijnen.

“Het instrument heeft natuurlijk ook nadelen. Het is stug en heeft een sterke eigen wil. Een cellist is als een weerman, hij werkt met waarschijnlijkheden: vandaag 95 procent kans op zon.

“Alle grote cellisten hebben iets bijgedragen aan de publieke verbeelding. Ze hebben geprobeerd hun eigen antwoord te vinden op de vraag wat een cello zou kunnen zijn. Ze voegden allemaal wel iets toe, een bepaalde streektechniek, een manier van zitten, een ingenieuze techniek om de duim te gebruiken, of een poging om componisten zo ver te krijgen muziek voor de cello te schrijven.

“Daarom werk ik soms samen met musici die niets met klassieke muziek te maken hebben, zoals de pop- en jazzzanger Bobby McFerrin. Hij gaat op een manier met muziek om die mij aanspreekt en dat is belangrijker dan het kunstmatige onderscheid tussen klassiek en pop. Ik vind het om die reden aardig om een concert te geven met Ernst Reijseger, de wild and crazy guy van de cello. Weinig cellisten durven zo ver te gaan op hun instrument. Hij heeft nieuwe grond ontdekt voor de cello.

“Ernst wilde ik per se in de carte-blanche serie, waarin alleen dingen voorkomen die ik nog maar zelden deed. In het concert met hem zit ook een stuk van Tod Machover, waarin de cello aan een aantal computers wordt gekoppeld. Heel spannend. Als Bach in zijn suites al begon te experimenteren met een viola pomposa, geloof ik dat ook wij nieuwe muziekinstrumenten moeten uitvinden. Het spelen op een barok-cello in een concert met het orkest van Ton Koopman, beschouw ik ook als een groot avontuur. Het lijkt me dat je pijn in je knieën krijgt van het vasthouden van zo'n barok-instrument, dat niet op de grond steunt. Bijzonder is het recital met André Previn. Hoewel hij een goede vriend van me is, hebben we nog maar één keer samen gespeeld. Maar het belangrijkste van de hele serie is misschien wel het jeugdconcert. Want daarbij gaat het om de continuïteit van het muziekmaken.”

“De taak van een musicus is om te communiceren. Hij vertelt zijn verhaal met behulp van de muziek. Het gaat daarbij niet alleen om de muziek, maar ook over de vraag wie je bent, wat je bent, wat je over het leven weet. Een musicus moet zijn wereld confronteren met die van de componist en het publiek. Waar liggen de grenzen? Hoe ver durf je te gaan, hoe eenvoudig durf je te zijn? Hoe grappig?

“Een musicus moet een groot gevoel hebben voor de tijd. Hij gebruikt tijd en klank om iets te beschrijven dat ver daarbuiten ligt. Hij neemt het beste van wat een groot mens ooit bedacht heeft, bij voorbeeld de Bach-suites, dat wil zeggen de gekristalliseerde essentie van J.S. Bach, en geeft die honderden jaren later door aan een publiek, dat erover kan nadenken, kan praten.

“Arthur Schnabel vergeleek een musicus met een berggids. Er zijn verschillende mogelijkheden om de top te bereiken. Je kunt gewoon de snelste weg naar boven nemen. Maar je kunt ook onderweg iedere bloem bestuderen, de rotsen bekijken, of je concentreren op de vorm van de bomen.”