Werksituatie moet eerder besproken worden met arts

ZEIST, 19 MAART. Het beroep van verzekeringsgeneeskundige dient verder uitgewerkt te worden. De geneeskundige moet vooral zijn eigen grenzen leren kennen en aan zijn kennis moeten eisen worden gesteld. In situaties waarin hij als medicus tekort schiet moet hij andere deskundigen inschakelen.

Dit stellen Nico Croon en Sjoerd Langius, die gisteren zijn gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam op een gezamenlijk proefschrift over de verzekeringsgeneeskundige praktijk bij bedrijfsverenigingen.

Verzekeringsgeneeskundigen keuren mensen voor de ziektewet en de WAO en brengen advies uit aan de bedrijfsvereniging over de mate waarin een werknemer ziek dan wel arbeidsongeschikt is. Vanouds is dit een klus die huisartsen erbij doen. Daarin is de laatste jaren zeer snel verandering gekomen. Het aantal fulltime verzekeringsgeneeskundigen is met honderden toegenomen, veelal jonge artsen die bewust hebben gekozen voor dit soort werk.

De verzekeringsgeneeskundige heet in de volksmond nog vaak controledokter, maar zijn werk is zich aan het uitbreiden naar een bredere begeleidings- en adviestaak op het gebied van ziekteverzuim en de preventie daarvan. Over wat de dagelijkse praktijk van de verzekeringsgeneeskundige bepaalt, is betrekkelijk weinig bekend, constateerden Croon en Langius, die beiden jarenlange ervaring hebben in het vak.

Uit hun onderzoek blijkt dat er grote verschillen bestaan in de werkwijze en taakopvatting van verzekeringsgeneeskundigen. Langius: “Er is veel ruimte voor de verzekeringsgeneeskundige om solistisch te functioneren. Wij willen in kaart brengen wat hij nu precies doet.”

Een belangrijk element in hun analyse is het onderscheid tussen medische ("hinderklachten') en niet-medische klachten ("functievragen'). Langius: “Een arbeidsconflict is niet medisch, maar er zijn nogal wat mensen met een arbeidsconflict in de ziektewet. Er kunnen wel medische klachten uit voortkomen.” Croon: “Het begrip hinderklacht heeft twee kanten: ook voor de cliënt moet duidelijk worden wat er aan de hand is.”

Tussen medische en niet-medische aspecten wordt nu nauwelijks onderscheid gemaakt, aldus de promovendi. Langius: “Het kwam vaak voor dat mensen laat in de ziektewet nog nauwelijks behandeld waren. Ze gingen zo de WAO in. Zij kregen het advies ermee te leren leven.” De conclusie zou eigenlijk moeten luiden: het is geen medisch probleem. Maar de cliënt interpreteert het als: ik ben ziek en er is niets aan te doen.”

Croon en Langius pleiten ervoor om de werksituatie in een vroeg stadium met de cliënt te bespreken en hem ook te zeggen wanneer er geen medisch probleem in het geding is. Dat betekent dat er eventueel andere hulpverleners moeten worden ingeschakeld om het probleem op te lossen.

De huidige uitvoeringsorganisatie van ziektewet en WAO is erg doktergericht. En hoewel Croon en Langius pleiten voor een bredere aanpak, willen ze de huidige organisatie niet opheffen.

Een van de dingen die volgens de promovendi moet veranderen is de opleiding tot verzekeringsgeneeskundige. Croon: “De opleiding tot basisarts bevat heel weinig sociale geneeskunde. Er bestaat geen mogelijkheid als assistent te worden opgeleid tot verzekeringsgeneeskundige. Je moet eerst een plek krijgen bij een uitvoeringsorgaan en dan pas kun je een beroepsopleiding volgen. Maar dan nog is de opleidingscapaciteit beperkt. Vaak is iemand al drie jaar als verzekeringsgeneeskundige aan het werk als hij met de opleiding begint. Dat is een heel slechte zaak.”

Maar ook na de opleiding zouden verzekeringsgeneeskundigen systematischer kennis moeten verzamelen. Intercollegiale toetsing en een betere registratie van zijn handelen en de resultaten daarvan zijn nodig, menen de promovendi. Croon: “Je ziet bijvoorbeeld in een bepaald bedrijf tien patiënten met een hartinfarct. Dan wil je weten: wat deden ze voor werk, wat heb ik als arts gedaan, wat was het resultaat?” Het heeft weinig zin als elke arts dat alleen voor zichzelf gaat zitten bijhouden. De informatie moet worden verzameld en teruggekoppeld naar de artsen, opdat ze meer inzicht krijgen in de resultaten van hun werk. Croon: “Dan hebben ook verzekeringsgeneeskundigen een duidelijke plaats in de beoordeling en begeleiding van de zieke werknemer.”