Verkeerde reden

HET HEEFT ENIGE tijd gekost en politieke schade opgeleverd, maar een wethouder in Rotterdam is gisteravond dan toch eigener beweging opgestapt. Niet omdat hij de consequentie heeft getrokken uit zijn beleidsfouten, maar om het programcollege van PvdA, CDA en VVD te redden. Dat motief geeft zijn aftreden een wrange bijsmaak en doet opnieuw de vraag rijzen wanneer eindelijk op een volwassen wijze over dit soort zaken kan worden gesproken.

Het achterhouden van informatie, zoals wethouder Henderson van sociale zaken in die stad heeft gedaan door een onthutsend rapport over bijstandsfraude niet aan de raadsleden kenbaar te maken, is in de politiek een doodzonde. Als het dan ook nog een geval van recidive betreft - vorig jaar speelde dezelfde wethouder een hoofdrol in een ziekenhuiskwestie waarbij eveneens sprake was van onvolledige informatieverstrekking - dan is zijn positie onhoudbaar geworden. Dat heeft weinig te maken met coalitie-politiek, maar des te meer met fatsoenlijk bestuur. De manier waarop de Rotterdamse gemeenteraadsfractie van de PvdA de afgelopen tijd heeft getracht te redden wat er nog te redden valt, is dan ook bedenkelijk.

NATUURLIJK IS het voortijdig aftreden van een verantwoordelijk bestuurder een tragedie, zeker als het zoals de fractievoorzitter van de PvdA het gisteren uitdrukte ook nog een “boegbeeld van waar de PvdA voor staat betreft”. Maar diezelfde PvdA staat ook voor “eerlijkheid, integriteit en betrouwbaarheid” in de politiek. Althans dit waren de woorden die PvdA-leider Kok bijna vier jaar geleden ten overstaan van het PvdA-congres bezigde toen hij als lijsttrekker was gekozen. Paspoortaffaire, problemen rondom de studiefinanciering, boter- en visfraude stonden toen nog op het netvlies van eenieder en Kok hekelde het aantal “brekebenen” dat desondanks in het kabinet was blijven zitten. Om herhaling te voorkomen zou de PvdA bij een eventuele regeringsdeelname “streng” voor zichzelf zijn, aldus Kok. Op het landelijke niveau werd het eerste en tot nu toe enige slachtoffer van deze lijn overigens buiten de eigen partijgelederen gevonden: het was CDA-minister Braks die op instigatie van de PvdA in 1991 wegens falend beleid het veld moest ruimen.

EENMAAL ZELF voor de afweging staande ligt het opeens een stuk moeilijker, zo heeft de affaire in Rotterdam weer eens bewezen. Een geval dat niet op zichzelf staat want op het lokale vlak zijn er meer voorbeelden. Het correcte besluit van de Haagse wethouder van financiën, mevrouw Van den Berg, om de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de door directeur Fuchs van het Haags Gemeentemuseum veroorzaakte overschrijdingen en op te stappen, is eerder uitzondering dan regel. Bestuurders in Nederland zijn stoelvast. Dat geldt niet alleen vertegenwoordigers in het openbaar bestuur, ook het bedrijfsleven kan zich dit verwijt aantrekken.

De Carrington-doctrine is in Nederland slecht ontwikkeld. Het "ik-wist-het-niet' wint het maar al te vaak van het "ik ben nu eenmaal als bestuurder voor alles verantwoordelijk'. Daarbij komt dat tussentijds aftreden van bewindspersonen niet spoort met de “politieke cultuur”, zoals zowel de toenmalige fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer De Vries, als premier Lubbers in 1988 na het gedwongen aftreden van staatssecretaris Brokx zei.

De gang van zaken in Rotterdam, vijf jaar later, bewijst weer eens dat die cultuur nog nauwelijks is veranderd.