Varkensstal

Gelijk hebben is niet hetzelfde als gelijk krijgen. De cliënt van een advocaat heeft altijd gelijk. Niet omdat de cliënt gewoon een klant is en de klant koning, maar omdat een advocaat - als hij een beetje advocaat is tenminste - geen zaak zal aannemen of verdedigen die hij niet rechtvaardig vindt.

Hoe is het dan mogelijk dat van twee partijen meestal de een wint en de ander verliest? Dat heeft verschillende, soms heel banale oorzaken. De belangrijkste is steeds dat feiten geen feiten zijn, dat wil zeggen: dat alle feiten voor subjectieve interpretatie vatbaar zijn. Het is aan de advocaat om de rechter duidelijk te maken dat de subjectieve interpretatie van zijn cliënt de juiste is en dat lukt niet altijd. Een tweede oorzaak is dat ook feiten, die heel erg op feiten lijken, niet altijd kunnen worden bewezen. Dat is vervelend, maar je doet er niets aan. Een derde, meer subtiele oorzaak is dat feiten moeten worden getaxeerd tegen de achtergrond van het rechtssysteem. Welke feiten rechtvaardigen de begeerde juridische conclusie? Die beoordeling eist vakmanschap en dan staat vakman tegenover vakman, zodat de uitkomst toch weer onzeker is.

Hoe gaat het bij voorbeeld wanneer een aannemer bouwt op andermans grond? De "Rechtspraak van de Week', een periodiek waarin de belangrijkste uitspraken van de Hoge Raad worden gepubliceerd, gaf onlangs een mooi voorbeeld. Zoonlief wou een varkensstal, maar had geen grond. Gelukkig had zijn pa nog een lapje. Met de zegen van zijn vader ging de zoon naar de aannemer en liet een mooie stal bouwen. Voor de aanneemsom ad 85.000 gulden kreeg hij een rekening. Dat was een beetje lastig, want zoveel geld had hij niet en de bank gaf geen krediet. Nu was de zoon niet voor één gat te vangen. Hij onderhandelde een beetje met pa en droeg aan hem het hele project over voor 93.000 gulden. Dat was bijna 10 procent winst, als ik het goed uitreken. Maar voor pa was het ook niet zo'n slechte deal, want hij had nog 25.000 gulden van zijn zoon te vorderen en die kon hij nu verrekenen. De rest, 68.000 gulden ging in contanten over de tafel. Gewoon 68 briefjes van duizend, die had pa toch liggen.

Waar de zoon die 68 briefjes heeft gelaten, vertelt het verhaal niet. Een ding is zeker: de aannemer heeft er niets van gezien en de zoon bood verder geen verhaal. Kan de aannemer de rekening alsnog aan pa presenteren?

De advocaat die met zo'n probleem wordt geconfronteerd moet gaan nadenken. Wat zou de grondslag van de vordering kunnen zijn? Zou je kunnen zeggen dat de vader, samen met de zoon als contractpartij heeft te gelden? Voor die stelling is wel iets te zeggen. Een contract kan ook stilzwijgend tot stand komen. Pa heeft goedgevonden dat op zijn grond is gebouwd. Als eigenaar van de grond was hij eigenaar van de varkensstal geworden, geheel los van de "overdracht' door zijn zoon.

Toch een beetje mager. Een goed advocaat heeft in een zaak als deze meer pijlen op de boog. Misschien was de vader geen contractpartij maar dan heeft hij toch niet zo netjes gehandeld tegenover de aannemer. Wie geeft er nou in zo'n situatie 68.000 gulden in contanten aan zijn zoon! Pa moet hebben beseft dat er weinig kans was dat zijn zoon die 68.000 gulden naar de aannemer zou brengen. Dan heeft dus de zoon wanprestatie gepleegd terwijl pa er met de neus bovenop stond. En dat terwijl pa als eigenaar van de grond eigenaar van de varkensstal was geworden!

Maar stel nou dat de rechter dat allemaal niet zo erg vindt. Dan is er nog steeds het feit dat pa eigenaar van de varkensstal is geworden, zonder dat daar enige prestatie tegenover stond die aan de aannemer ten goede is gekomen. De aannemer heeft dan nog als laatste redmiddel de vordering uit "ongerechtvaardigde verrijking'. De stelling moet dan zijn dat pa door de hele gang van zaken - omdat hij toevallig eigenaar van de grond was - is verrijkt ten koste van de aannemer. Die verrijking moet hij teruggeven. Als al het andere faalt kunnen we dat nog proberen.

Ik zal u vertellen hoe het is gegaan. De rechtbank vond dat er een contract was met pa, maar dat oordeel ging in hoger beroep bij het hof in Den Bosch onderuit. Goedvinden dat een ander een contract sluit is niet voldoende. Het hof hield zich daarop bezig met de stelling dat er sprake was van een onrechtmatige daad, "subsidiair' - zoals dat heet in het jargon - ongerechtvaardigde verrijking. Maar op beide punten kwam het hof tot een negatief oordeel. Geen onrechtmatige daad omdat men in het recht niet zijns broeders hoeder is, geen verrijking omdat pa aan zijn zoon 93.000 gulden was kwijtgeraakt.

Anders echter de Hoge Raad: als vast komt te staan dat pa inderdaad wist dat zijn zoon de aannemer niet zou betalen, heeft pa zich de belangen van de aannemer onvoldoende aangetrokken en dat is onrechtmatig. En wat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking betreft: het hof had moeten uitzoeken of pa, toen hij die 68.000 gulden aan zijn zoon betaalde en die 25.000 gulden verrekende, rekening had moeten houden met een verplichting uit ongerechtvaardigde verrijking tegenover de aannemer. Had pa daaraan moeten denken, dan komt de vermindering van zijn verrijking met 93.000 gulden voor eigen rekening.

De zaak werd verwezen naar het hof in Arnhem om deze punten nog eens uit te zoeken.

Toch niet zo makkelijk, dat recht.