Vadertje Cats, Opa Hildebrand, Neef Mulisch en Tante Reve; 900 jaar Nederlandse literatuur in 900 bladzijden

“Ik hou van proza en poëzie en die groeit hier nu eenmaal in de Nederlandse taal. Maar om daar een dik boek over te lezen!” H. Brandt Corstius begon met enige reserve aan "Nederlandse literatuur, een geschiedenis', waaraan 107 neerlandici meewerkten. Maar hij ontdooide: “Natuurlijk zijn er twintig stukjes geschreven in het Neerlandicees, een dialect van het Saai-academisch. Maar die twintig saaie liggen in een bed van uitstekend geschreven bijdragen.”

M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.): Nederlandse Literatuur, een geschiedenis. Martinus Nijhoff Uitgevers. Prijs: ƒ 125-. De prijs bij voorintekening, die formeel vanavond (19 maart) sluit, is ƒ 99,- (in de boekhandel of per brief bij de uitgever).

Neerlandicus is een scheldwoord.

“Hij noemde mij neerlandicus en toen noemde ik hem Lijkepikker.”

Het gebeurt me wel eens dat ik achter een tafel een zaal inkijk. De voorzitter van het forum of panel gaat ons "voorstellen aan de zaal'. Professor noemt hij mij - ik doe of ik slaap. Veelschrijver noemt hij mij - ik snuit mijn neus. Geboren in Utrecht zegt hij - ik knijp krachtig in mijn handen. Maar soms gebeurt het dat zo'n voorzitter, na al die leugenachtige beledigingen, mij ook neerlandicus noemt. Ik steiger als door een slang gebeten, ik gooi de giftige tong van het podium, ik spring op het groene tafelkleed en ik roep: “Nee, nee, neerlandicus ben ik niet! U mag mij voor alles uitschelden, maar niet voor neerlandicus!”

Hoe komt dat? Ik hou van de Nederlandse taal. Ik moet, door geboorte, Nederlandse literatuur lezen. Mijn vader was neerlandicus. Ik had zes jaar een heerlijke leraar Nederlands. Ik werkte een paar jaar op een instituut voor neerlandistiek. Ik doceerde in Amerika Nederlandse taal en letterkunde. Sommigen van mijn beste vrienden zijn neerlandici. Waarom hou ik, net als iedereen, neerlandicus dan voor een schimpwoord?

In andere landen zijn het de mensen die de eigen taal of literatuur gestudeerd hebben, die de grootste mond opzetten over alle culturele zaken. Een hoogleraar Algemene Taalwetenschap of Algemene Literatuurwetenschap in Frankrijk of Engeland heeft vanzelfsprekend Frans of Engels gestudeerd. In Nederland is dat niet zo.

Hoe komt de neerlandicus aan zijn slechte naam? De redenen zijn van kwantitatieve, van kwalitatieve en van nergens-op-slaande aard.

Er zijn er veel te veel. In de jaren dat ik op het Instituut voor Neerlandistiek in Amsterdam werkte, waren daar elfhonderd studenten. “Ik studeer Nederlands” klinkt even dom en laf als veertig jaar geleden “Ik studeer Rechten”. Als je helemaal niets anders kan of wil studeren, maar je begeert toch een gratis openbaarvervoerkaart, dan ga je Nederlands studeren. Nederlands leren? Maar je hebt toch thuis al gratis Nederlands geleerd?

Neerlandici zijn lui. Nederlanders hebben de prachtigste grammatika's gemaakt voor het Engelse, het Latijn, het Javaans en het Spokaans. Maar tot 1984 bestond er geen grammatika van het Nederlands. Ik interesseer me voor Multatuli. Je zou denken dat van de vijftigduizend neerlandici uit de laatste eeuw er toch wel drie een dissertatie over Minnebrieven en zeven een boek over Ideën zouden hebben geschreven. Niets daarvan. Wie Multatuli's biografie wil schrijven, zal dat allemaal zelf moeten doen.

Koeien

Naast deze kwantitatieve en kwalitatieve redenen is er ook nog een onzinnige reden om neerlandici te minachten.

Veel neerlandici zijn critici. Veel critici zijn neerlandici. Veel critici kritiseren schrijvers. Veel schrijvers vinden het niet prettig gekritiseerd te worden.

Dat zijn vier waarheden als koeien. Maar wat zeggen nu de schrijvers die zich onrechtvaardig gekritiseerd voelen? Onder aanvoering van Maarten 't Hart roepen zij: “Het komt omdat het neerlandici zijn, die lui weten niets van literatuur!” Maarten meent het vast niet. Maar zijn meeschreeuwers, die wel eens door Tom van Deel of Jaap Goedegebuure of Ton Anbeek of Kees Fens zijn gemangeld, die gillen hem van harte het gevreesde N-woord na.

Als een neerlandicus ondanks zijn vak toch een gunstige bekendheid geniet, dan komt het omdat hij zo mooi over de Middeleeuwen kan praten, of over het Humanisme, of over schilderijen, kortom over zaken waar hij niet voor is opgeleid.

Nu krijg ik het negenhonderd pagina's tellende boek Nederlandse literatuur, een geschiedenis, waarin 107 neerlandici de geschiedenis van de Nederlandse literatuur vertellen.

Omdat neerlandici niet kunnen tellen, staat in het boek dat er 109 auteurs zijn, en omdat critici neerlandici zijn, schrijven ze dat getal over, maar het zijn er 107.

De gedachte om een hele dag, of misschien wel twee hele dagen mijn hoofd te bukken over een boek dat door honderdenzeven neerlandici werd volgeschreven, vervulde mij niet met grote blijdschap. Ik heb veel Nederlandse literatuur gelezen, maar niet uit eigen verkiezing. Ik ben nu eenmaal in dat land geboren. Zoals een Spanjaard veel stieren ziet sneuvelen en een Eskimo veel sneeuw ziet sneeuwen, zo zie ik veel Nederlands. Bij televisie, opera en film kun je de Nederlandse bijdragen rustig overslaan. Bij schilderkunst, fotografie en muziek valt het Nederlandse aspect niet op.

Ik hou van proza en poëzie en die groeit hier nu eenmaal in de Nederlandse taal. Maar om daar een dik boek over te lezen! Vadertje Cats, Opa Hildebrand, Neef Mulisch, Tante Reve - ik geef toe dat ze familie zijn, maar moet ik er een boek over bestuderen?

Men kan dus rustig stellen dat ik het dikke boek, dat ik voor u ga recenseren, met veel vooroordelen en enorme oogkleppen ben gaan lezen. En toen ik zag hoe het georganiseerd was, werd ik er niet vrolijker op. Wat hadden die gekke neerlandici nu weer bedacht?

Individu

Literatuurgeschiedenissen bewegen zich tussen twee uitersten. Het ene extreem beschouwt elke schrijver als een produkt van zijn omgeving en van zijn directe voorgangers. Elke actie is reactie. Is de reactie in dezelfde richting, dan spreken we van Invloed, Stroming, Generatie. Is de reactie tegengesteld aan de actie, dan spreken we van Revolutie, Stroming, Generatie. Het andere extreem beschouwt elke schrijver als een origineel individu, die helemaal op zijn eentje bedenkt hoe hij schrijft.

De meeste literatuurgeschiedenissen neigen naar het eerste model. Ze kneden en smeden net zo lang tot de opvolgende auteurs elkaars logische vervolgen lijken.

Karel van het Reve deed het in zijn overzicht van de Russische literatuur net andersom. Er zijn wel modes, stromingen, invloeden, maar een groot schrijver is juist een groot schrijver omdat hij zich daar niets van aan trekt.

Kan het anders? Negen neerlandici dachten van wel. Ze namen de 900 jaar, waarin er Nederlands wordt geschreven, en prikten daar 150 data in, die met literatuur te maken hebben. Over die 150 data lieten ze door bijna honderd andere neerlandici meer dan honderd essaytjes van zes pagina's schrijven, terwijl ze er zelf ook nog dertig schreven.

De data zijn in oude perioden vaak de dag dat een rekening werd betaald, later de eerste opvoering van een toneelstuk of de uitreiking van een prijs. Ze doen zelden terzake. Het gaat erom dat de negen eeuwen in 150 partjes zijn verdeeld.

Die partjes gaan lang niet altijd over één schrijver. Ze gaan opvallend vaak over toneel en over vrouwen. Maar er zijn ook reeksjes paragrafen die gaan over uitgevers, over vertalen, over schrijversgilden, over recenseren, over regeringspolitiek, ja zelfs over het schrijven van Nederlandse literatuurgeschiedenissen.

De Nederlandse literatuur is niet een onsamenhangende rij van hoogtepunten, zoals Karel van het Reve het zou voorstellen. Maar het is ook niet een logische, in golven elkaar opvolgende, historie. In dit boek wordt de literatuur niet verbonden aan de grote externe gebeurtenissen uit onze vaderlandse geschiedenis (Duitse bezetting, Franse dictatuur, Latijnse overheersing), maar aan de semi-externe geschiedenis van boekdrukkunst, toneelpraktijk, afschaffing van het dagbladzegel, Adriaan van Dis.

Laat ik het hier maar eerlijk toegeven: ik heb het boek gefascineerd gelezen. Ik heb veel geleerd. Ik begon met een hard hoofd, maar ik ontdooide. De honderd stukken die vóór het jaar 1900 spelen, vond ik nog mooier dan de vijftig over deze eeuw. Nooit geweten dat al die schrijvers, waarvan je de namen op hun boeken heb zien staan en die je misschien zelfs gelezen hebt, zulke interessante opinies en levens hebben gehad.

Zoals in elke geschiedenis wordt het drukker naarmate we ons eigen jaartal naderen. Ik heb een staatje gemaakt hoe lang we in elk van de negen eeuwen moesten wachten voor er weer een literair feit te vieren viel. Hier is het:

eeuw elke zoveel jaar

12de 50

13de 16

14de 13

15de 20

16de 9

17de 5

18de 6

19de 4

20ste 2 jaar

Gemiddeld over het hele tijdvak moeten we zes jaar wachten voor er weer iets gebeurt dat zes pagina's waard is.

Het kost mij moeite het toe te geven, maar ik moet eerlijk zijn: ik heb 150 prachtige stukjes gelezen. Er staan er 151 in, en één vond ik inderdaad beneden elke maat, maar daar kom ik nog op.

Natuurlijk zijn er twintig stukjes geschreven in het Neerlandicees, een dialect van het Saai-academisch. Maar die twintig saaie liggen in een bed van uitstekend geschreven bijdragen. Ik vind Jaap Goedegebuure in de Haagse Post altijd schrijven alsof hij een bezemsteel in de inktpot heeft geduwd, maar hier blijkt hij ook een fijngepunte naaldpen te bezitten. Er staan in dit boek twintig briljante essays, waarvan ik er drie zal noemen.

Ik dacht dat ik iets van Multatuli wist. Oversteegen schrijft over zijn Millioenenstudiën meer en beter dan ik er ooit over las. Wilt u weten wat Jan Kinker en Rhijnvis Feith van Kant dachten? Nee, dat wil u niet weten. Maar André Hanou heeft een prachtige vorm gevonden om dit probleem levend te maken, hij bespreekt het vanuit Sophie, de imaginaire gesprekspartner rond het jaar 1800. Boek en film Sophies keuze zullen vergeten zijn, als dit stuk nog herdrukt en herlezen wordt. Over Proust en Vestdijk is al eens eerder geschreven. Wie zou over dat duo een essay in een Nederlandse literatuurgeschiedenis verwachten? Het staat erin, het is van Bekkering, het is uitstekend.

Krotten

Heb ik dan niets te klagen? Ik zei al dat ik één stuk beneden de maat vond, en dat zal ik straks uitleggen. Eerst wat meer algemene kritiek.

Ik vind dat er meer aandacht besteed had mogen worden aan de ontwikkeling van de Nederlandse taal. Negen eeuwen geleden bevond de Nederlandse spraak zich in de positie die velen nu voor het jaar 2050 voorzien. Het Latijn was de schrijftaal en de kerktaal. Frans en Duits ontmoetten elkaar bij ons. Toch werd er Nederlands gesproken, in kroegen en krotten. Toch werd Nederlands een cultuurtaal, waarin vijf mooie romans en vijfhonderd mooie gedichten zijn geschreven. Hoe is dat gegaan?

We moeten onze informatie uit verschillende hoofdstukjes bijeenscharrelen. Er is de invloed van de voordracht van het toneel. Er is in de kerk de Beweging van de Armoe (veel vrouwen, veel volkstaal). Er is de wederzijdse benvloeding van Keltische en andere legenden.

Over de komische grammatika's uit de zestiende en zeventiende eeuw lezen we wel, maar uit de eeuwen erna niet. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, de spelling van De Vries en Te Winkel, Charivarius, de strijd tegen gallicisme, germanisme en nu anglicisme, de hardnekkige Vernederlandsing van Vlaams proza, het komt niet aan de orde. Maar ik ben taalkundige, en een botanist zou allicht meer willen weten over de tuinen van de dames en heren schrijvers.

Eenzame genieën lijden natuurlijk onder de semi-externe aanpak. Dat eenlingen als Bilders, Brouwer, Frank, Terborgh, Arends en Morriën nergens genoemd worden, ach, zo gaat het in zo'n boek. Dat columnisten als Gans en Lindo ongenoemd blijven, ligt misschien aan dat ene mislukte hoofdstukje. Dat dichters als Pareau, Van Baaren, De Coninck, Ter Harmsen van der Beek ongenoemd blijven - volgende keer beter. Maar ik kan niet geloven dat ik niets heb gelezen over De Schoolmeester, Gerrit van de Linde. Dat moet een gebrek in mijn oog zijn geweest. De redactie maakt een vrolijk nummertje van het zogenaamd vergeten van de Beatrijs, maar dat Jacob van Lennep in het register achttien keer wordt genoemd, en zijn geniale correspondent Van de Linde niet éénmaal, dat is natuurlijk onmogelijk.

Het lijkt mij niet juist om Theo Thijssen en Annie Schmidt alleen bij de kinderliteratuur te noemen. Het lijkt mij een tekort dat aan het korte verhaal (waarin Bordewijk en Mulisch veel beter presteren dan in hun romans) geen aandacht wordt besteed. Dan zouden Henriëtte van Eyk, Belcampo, en Bomans ook behandeld zijn.

Natuurlijk wordt over iedere auteur geschreven door zijn expert; op één uitzondering na, waar ik nog over kom te spreken. Dat heeft soms een raar effect. Zo is het beeld van Busken Huet tegenwoordig geheel bepaald door Olf Praamstra. Wie Praamstra al eens over Huet las, krijgt nu niets nieuws. Maar je kunt moeilijk een expert verbieden over zijn onderwerp te schrijven. En het zou al heel gek zijn om een vijand over een door hem gehaat onderwerp te laten schrijven; al is dat één maal gebeurd, zoals u zo zult horen.

Zelden lezen we dat iemand iets niet mooi vindt. Op pagina 483 wordt ineens ruw geschimpt op de biografie die Van der Plas schreef over Guido Gezelle. Groot gelijk heeft de schimper, maar je schrikt er toch even van, omdat het zo ongewoon is.

Hart

Het mooiste compliment dat ik dit boek kan maken, is: nu ik het uit heb, ga ik met twee vellen verwijzingen naar de bibliotheek om boeken, en boeken over boeken, te halen. Misschien word ik nog wel eens een neerlandicus.

Alle bijdragen zijn geschreven met verstand en op afstand - op eentje na dus. Alle bijdragen onthouden zich van vijandelijke taal - op eentje na. Alle bijdragen zijn geschreven door mensen met hart voor hun zaak - op eentje na. Het wordt tijd die uitzondering te behandelen.

Het gaat om het hoofdstukje van Aad Nuis, waarin hij de unieke Nederlandse bijdrage aan de wereldliteratuur moet behandelen: de columnistiek.

Nuis houdt niet van columns. Dat is zijn goed recht. Nuis heeft er ook een goede reden voor: de columnisten houden niet van Nuis.

Maar waarom zou men aan een hater van het genre de opdracht geven om dat genre te bespreken? Men heeft toch ook niet Komrij uitgenodigd om de Vijftigers te behandelen? De reden om Nuis uit te nodigen moet zijn dat hij bij diverse geledenheden in het verleden zijn partijdige oordeel over de columnisten heeft opgeschreven.

Bij die gelegenheden beweerde hij telkens dat de moderne Nederlandse column ter wereld is gebracht door Carmiggelt en gestorven is met Rubinstein. Noch het een noch het ander is waar. Carmiggelt schreef ultrakorte verhaaltjes in de krant, geen columns. Na Rubinstein zijn er in Nederland nog veel uitstekende columnisten overgebleven - ook al houdt Nuis niet van ze.

Het lijkt flauw om met de P.C. Hooftprijzen aan te komen, maar het is onweerspreekbaar dat de laatste zes prijzen voor betogend proza naar columnisten zijn gegaan. Achttien jaar bloeit de columnistiek in volle glorie, maar Nuis verklaart het genre dood. Hij leest Sanders, Ramdas, Helder, Ree, Meijer, Mulder, Montijn, Vrooland, en vele anderen kennelijk niet.

Juist in een half-externe geschiedenis van de Nederlandse literatuur is een beschouwing over een zeldzaam nieuw genre, naar vorm en inhoud en plaats en invloed, noodzakelijk. Maar dan niet geschreven door iemand die meent dat het genre gestorven is. Dan had Nuis nog beter een vijandig hoofdstuk kunnen schrijven over Kellendonk (die hij antisemitisme aanwreef) of Hermans (wiens boeken hij als criticus in de Haagse Post minder waardeerde dan die van zijn politieke leider Terlouw).

Och, wat betekent één hoofdstuk op de honderd en vijftig? Niets. Zoals ik als taalkundige pech had, zo heb ik het als columnist. Mijn waardering voor het werk van 106 neerlandici is onverminderd.

Natuurlijk verlangt wie dit boek uit heeft, naar een Karel van het Reve'se aanpak, waarin alleen de toppen besproken worden. Zo'n boek moet er ook komen. Maar wat hier geprobeerd werd, is veel moeilijker. Het is een wonder dat het lukte.

Mijn lof is niets waard. Want ik ben geen neerlandicus. Ik las veel wat ik niet wist. Ik weet niet waar ik werd bedrogen. Ik weet niet hoe het anders kon. Ik kan het met geen ander boek vergelijken.

Dit boek zou natuurlijk door een neerlandicus besproken moeten worden. Maar waar haal je die vandaan? Honderd en zeven werkten aan het boek mee en de rest bijt op zijn nagels dat ze niet gevraagd werden. U zult het dus met mijn oordeel moeten doen. Als u net zo weinig neerlandicus bent als ik, dan kunt u van dit boek genieten. Maar het wordt natuurlijk een verplicht studieboek voor de armzalige studenten in de neerlandistiek.

Lees dit boek en word neerlandicus. Dan zullen we het nog meemaken dat, net als geus en illegaal, een schimpnaam een eretitel wordt.