Sterren van weleer nog eenmaal samen; Bossa antigua van Gilberto en Jobim

Het was zoiets als een reünie van The Beatles. Voor het eerst in dertig jaar zouden João Gilberto en Antõnio Carlos Jobim onlangs weer samenspelen. Ooit hebben zij Brazilië muzikaal op de wereldkaart gezet door de zogeheten bossa nova uit te vinden. Zwoele, intieme muziek van ritmisch gitaarspel en ingehouden zang. Chega de saudade, Desafinado, Garõta de Ipanema. Vernieuwende klanken die klonken in een tijd waarin het land blaakte van vooruitgangsoptimisme.

Brazilië begin jaren zestig. In vier jaar tijd was de nieuwe hoofdstad Brasilia uit de grond gestampt, het nationale voetbalteam won de wereldcup, de cinema novo maakte furore: Brazilië was het land van de toekomst en de Brazilianen wisten nog niet dat het dat altijd zou blijven ook.

De bossa nova veroverde de wereld met de in eigen land nagenoeg onbekende Astrud Gilberto, de eerste ex-vrouw van João. In Brazilië zelf werden de "uitvinders' van de bossa nova een voorbeeld voor verscheidene generaties muzikanten. Gaandeweg zouden João Gilberto en Tom - zoals zijn landgenoten hem noemen - Jobim zelfs mythische proporties aannemen. De laatste zou zich ontwikkelen tot de Gershwin van Zuid-Amerika, de eerste tot een soort tropische Howard Hughes.

João Gilberto woont nu als een kluizenaar in een flat met hotelachtige voorzieningen in Rio de Janeiro. Als je de Braziliaanse pers mag geloven, verlaat hij die flat bij voorkeur alleen 's nachts, om wat rond te rijden in zijn auto. Journalisten krijgen hem niet te spreken, de werknemer van het naburige restaurant die dagelijks een warme maaltijd komt bezorgen heeft hem nog nooit in levenden lijve mogen aanschouwen en vrienden zou hij slechts bij hoge uitzondering thuis ontvangen. Gilberto communiceert liever per telefoon met de buitenwereld. En dan nog. Een ex-vriendin van lang geleden: “Hij is een muzikaal genie, maar hij staat met nog niet één been in de werkelijkheid.”

Concerten wil Gilberto nog wel eens te elfder ure afzeggen. Het verhaal is dan dat hij griep heeft. Ingewijden vermoeden dat hij vooral vreest niet te kunnen beantwoorden aan zijn eigen perfectionisme.

De mooiste anekdote over Gilberto op dat vlak speelt in 1962. Een grote groep bossa-novavertolkers was van Brazilië gereisd naar New York voor een gezamenlijk concert in Carnegie Hall. Vijf minuten voor hij opmoest zei João in de coulissen dat hij niet ging. Niet wegens een plotseling opkomende flauwte, maar omdat de vouw in zijn broek niet goed zat. Pas nadat de cultureel ambassadrice van Brazilië hoogstpersoonlijk de broek had gestreken wilde Gilberto het podium op. Jobim: “João Gilberto is er een meester in om met de grootst mogelijke rust van de wereld de grootst mogelijke paniek te veroorzaken.”

Als een optreden van Gilberto al doorgaat moet het publiek muisstil zijn, anders is het meteen afgelopen. Dat is al herhaaldelijk voorgevallen. Er mag tijdens een concert wel worden gedronken, maar in de drankjes mogen geen ijsblokjes zitten want dat tingelt te veel. En de airconditioning moet uit, want die ontstemt zijn gitaar.

Alles bij elkaar is er een dusdanige mythe rondom João Gilberto ontstaan, dat elk optreden van hem een gebeurtenis van de eerste orde is geworden. Eentje waarvoor het publiek misschien wel zenuwachtiger is dan hijzelf. Als er in vredesnaam naar niets gebeurt dat zijn onvrede opwekt. Want João Gilberto is een perfectionist op de vierkante millimeter. In alles.

Tom Jobim intussen is een publieke figuur geworden in Brazilië. Afgelopen jaar paradeerde hij zelfs op een aan hem gewijde praalwagen tijdens het carnaval in Rio. Hij wordt beschouwd als de godfather van de Braziliaanse populaire muziek. Nagenoeg alle bossa-novasuccessen zijn van zijn hand. In de jaren zeventig ondervond hij enige moeite om in eigen land grammofoonplaten opgenomen te krijgen, waarna hij uitweek naar de Verenigde Staten, waar hij onder meer filmmuziek maakte. Maar inmiddels kan hij vanuit zijn villa hoog in de zeer groene wijk Jardim Botãnico in Rio uitkijken over een land dat hem onvoorwaardelijk aan de borst klemt. Tom Jobim, zo luidt het algemene oordeel, is met geen andere Braziliaan te vergelijken. Zijn Aguas de Marco bij voorbeeld, wordt als een tweede volkslied beschouwd.

Niet in de laatste plaats door de singuliere levensstijl en de overgevoeligheid van João Gilberto is het contact tussen de beide vaders van de bossa nova al in de jaren zestig verwaterd. Er moest een biergigant aan te pas komen om een reünie te bewerkstelligen. Onder de naam Show no. 1 en rijkelijk omlijst met reclame voor Braziliës grootste biermerk Brahma zouden de heren twee gezamenlijke concerten geven, waarvan ook televisieopnamen zouden worden gemaakt.

Een van die concerten was in een muziektempel in São Paulo voor 1.500 bijzondere genodigden. Het was een chique bedoening met een hoog beroemdheidsgehalte. Een leger van fotografen in de foyer. Televisiecamera's met felle lampen. Soap-acteurs in smoking die zich lieten ondervragen over hun bossa-novaherinneringen. Brahma-zakenrelaties die vast toastten op de goede afloop. Dames in avondjurk die zichtbaar naar de kapper waren geweest.

Het concert kon uiteraard niet aan de hooggespannen verwachtingen beantwoorden. Het bleef een beetje in de lucht hangen. Jobim speelde, Gilberto speelde - gelukkig gebeurde er niets dat zijn wrevel wekte - maar het heilige licht, dat toch op zijn minst had moeten doorbreken bij de gezamenlijke nummers aan het eind, bleef uit. Het was een muzikaal aftasten. Doen we nog een couplet? Zing jij nog een refrein of doe ik een solo? Hoe ging het ook al weer?

Later, terug in Nederland, bij het bekijken van de videoband van het concert, zie ik wat het is. Twee oude mannen, twee zestigers, op zoek in hun herinneringen. Weet je nog wel oudje? Ze stijgen niet uit boven hun verleden.

Het verleden, zo blijkt maar weer eens, is geweest. Bezorgd vraag ik me af of de (overgebleven) Beatles wel bijtijds tot dat inzicht zullen komen.