Onoverwinnelijk door tevredenheid; De merkwaardig opgewekte komedies van Carlo Goldoni

Toneelspelers konden in het achttiende-eeuwse Venetië uitgroeien tot ware coryfeeën, bewierookt en beroddeld in koffiehuizen en kapperszaken, anoniem bestreden in schotschriften en bejubeld als zij herkend werden in het openbaar. In deze merkwaardige wereld, waar overtuigend werd gespeeld dat het leven licht was, ging het doek op voor Italië's beroemdste komedieschrijver: Carlo Goldoni, wiens "Trilogie van het zomerverblijf' vanaf vandaag door Toneelgroep De Appel wordt gespeeld.

"De trilogie van het zomerverblijf' van Carlo Goldoni wordt vanaf vanavond, 19 maart, door Toneelgroep De Appel gespeeld in het Appeltheater in Den Haag. Duinstraat 6. Inl. 070-3502200.

Venetië is langer in verval dan zij ooit heeft gebloeid, in feite reeds zo lang dat het verval een wezenskenmerk van haar is geworden. De zinloze schoonheid van de San Marco-basiliek, het Dogenpaleis, de Rialto en de ontelbare palazzi die, met de Brug der Zuchten en al, eeuwenlang in de modder aan het wegzinken zijn; de Leeuw die eens trots vanaf zijn zuil uitkeek over de wereldzeeën waar de Venetiaanse kooplieden heersten, een bang dier dat het wassende water vreest; de myriaden bruggetjes en steegjes waar je, begoocheld door hetzelfde dat toch steeds anders is, onbezorgd verdwaalt, het is een labyrint waar de draad is doorgeknipt - de hele stad is een façade geworden van een Glorieus Verleden dat zo onwaarschijnlijk is dat het meer dan op de geschiedenis op het decor van een toversprookje lijkt; het Betoverde Eiland is het toneeldecor geworden van een opvoering die iedereen alleen nog van horen zeggen kent, een opgesmukt en aangedikt verhaal, verrijkt met nutteloze doch schitterende details, echter zo bedrieglijk fraai dat niemand gelooft dat zoiets in het echt kan noch heeft kunnen bestaan. Venetië is een droom die is blijven hangen in de ochtendnevel, een zinsbegoocheling, een geestesverschijning - een vergissing van de Dood die een hele stad heeft overgeslagen omdat hij te lang bleef nakaarten over een of andere tuinman die hij die avond halen moest in Ispahaan en zodoende de tijd vergat.

Dit onbestaanbaar wonder, opgebouwd, zo lijkt het, uit de herinneringen die Marco Polo uit de Oriënt meenam, deze anomalie van de geschiedenis, dit fata morgana dat zelfs de Dood op een dwaalspoor bracht, is, omdat zoveel weergaloze schoonheid anders niet te begrijpen valt, van oudsher de Hoofdstad van de Illusie geweest. Talloos zijn de getuigenissen van reizigers die meenden in een theaterspektakel verzeild te zijn geraakt, een gemaskerde komedie, een bonte processie ter ere van iets lichts; ze konden die indruk gemakkelijk krijgen omdat de Venetianen inderdaad vaak gemaskerd over straat gingen en schijnbaar altijd wel iets te vieren hadden. Als je de veduti van Canaletto en Guardi bekijkt, lijken de panorama's en doorkijkjes de trompe-l'oeils van een doortrapte decorbouwer en zijn de personages die daarin ronddwalen, met hun zwierige capes, breedgerande hoeden en elegante muiltjes, net toneelspelers die een onbekend blijspel opvoeren. En de genreschilderijen van Pietro Longhi, waarop taferelen uit het dagelijkse leven staan afgebeeld, tonen een geposeerdheid die alleen in een dolzinnige klucht aannemelijk is. Toch portretteerden zij hun stad zoals zij was.

Steekspel

Het leven was theater in Venetië en theater was het leven voor de Venetianen. De première van een nieuw stuk was het gesprek van de dag en zulke gesprekken waren er alle dagen. Altijd was er wel iets nieuws te zien, en als er geen voorstelling was van een van de vele rondtrekkende gezelschappen uit Parma of Bologna of waar dan ook vandaan, dan was er wel een première in de theaters van S. Angelo, S. Christostomo, S. Benedetto of hoe die schouwburgen en schouwburgjes ook heetten - maar liefst zeven waren er in de achttiende eeuw. (Ter vergelijking: het vele en vele malen grotere Parijs telde er, de Comédie Italienne meegerekend, slechts drie.) En als je geluk had werd je bovendien ook nog uitgenodigd voor een privé-voorstelling achter de gesloten deuren van een palazzo aan het Canal Grande. Toneelspelers konden in Venetië uitgroeien tot ware coryfeeën, bewierookt en beroddeld in koffiehuizen en kapperszaken, anoniem bestreden in schotschriften en bejubeld als zij herkend werden in het openbaar. De besten en beroemdsten onder hen waren gezocht door de grote vorstenhoven van Europa, en zulke transfers konden in het theatergekke Venetië gemakkelijk worden tot een zaak van staatsbelang, zoals in het geval van La Barbarini, een ballerina die de inzet van een diplomatiek steekspel tussen de Venetiaanse senaat, de koning van Pruisen en de koningin van Hongarije, met de ambassadeur van Spanje als bemiddelaar - zelfs de politiek, dat geestdodend bedrijf, had hier nog het meeste van een opera buffa weg.

"Het lijkt of het blikveld hier bepaald wordt door voetlicht, een toneellijst en het hokje van de souffleur', schrijft Philippe Monnier in zijn lyrische studie Venise au XVIIIe siècle (Genève, 1907). Volgens hem waren de Venetianen zo verslingerd aan theater dat ze er al hun dagen doorbrachten: ze zaten er zo vaak dat het, als je langs de huizen ging, leek alsof meer dan de halve stad leegstond. "Omdat de geschiedenis zwijgt, en dat onverdraaglijk is, verzinnen de dichters voor hun gebeurtenissen die de plaats innemen van echte; hun harten worden zonder ophouden beroerd door denkbeeldige emoties; gelukzalige illusies vullen de leegte van hun ziel en hun bestaan; en door middel van deuntjes, kuitenflikkers, lazzi en tafereeltjes vol bekoorlijkheid en ironie ontstaat een heerlijke bedwelming, die de Venetianen opwindt en waar ze verzot op zijn.'

Bluf

In deze merkwaardige wereld, waar zo overtuigend werd gespeeld dat het leven licht was dat iedereen het nog geloofde ook, ging het doek op voor Carlo Goldoni (1707-1793), die de beroemdste komedieschrijver van zijn land zou worden, "de Italiaanse Molière', de chroniqueur-in-dialogen van zijn tijd en bij zijn leven zelfs in Nederland gespeeld. Een toneelstuk schrijven daar was voor hem geen kunst aan. Hij hoefde, zei hij, alleen maar de straat op te gaan en zijn ogen en oren de kost te geven: dan schreven de dialogen zich vanzelf. Alleen al in 1750 produceerde hij, bij wijze van bluf, zestien stukken, en een er boven op om het nog gemakkelijker te doen lijken. Op die manier ontstonden zoveel toneelstukken dat hij de tel kwijtraakte. In zijn driedelige, in het Frans geschreven Mémoires pour servir à l'histoire de sa vie en de son thé^atre (Parijs, 1787) vergeet hij er tientallen, en zelfs de nauwgezette Bibliografia goldoniana van Spinelli (Milaan, 1884) noemt de getallen van 149 komedies, 10 tragedies en 83 libretti en intermezzi onder voorbehoud.

Het kriskras doornemen van dit gevaarte van een oeuvre leert dat veel ervan als maakwerk beschouwd moet worden; bewerkingen van stukken van Lope de Vega, Molière en andere geliefde blijspelen die zelf bewerkingen waren van Plautus en Terentius, bewerkingen van populaire romans als Pamela van Richardson, bewerkingen van oude succesnummers uit de commedia dell'arte, vervolgstukken op kassucces (La putta onorata die trouwt en La buona moglie wordt, de Perzische Hircana die eerst trouwt, daarna verhuist naar Julfa en in een derde stuk in Ispahaan blijft te vertoeven) en meer, meer en vooral nog meer van hetzelfde. Maar het gaat hier niet over literatuur, het gaat over theater - niet over bibliotheken waar het verzameld werk in 44 delen staat te verstoffen, maar over het stof dat opdwarrelt als de komische protagonist denkend aan een grandioze entree, over de drempel struikelt en languit op de planken valt, als de colombijntjes over het podium huppelen, het stof dat loskomt bij zoveel leven en kabaal en dat als stuifgoud schittert in het voetlicht en pas neerdwarrelt als het doek is gevallen.

Het zijn de momenten die tellen in het toneel, het is er altijd heden, en vandaar waarschijnlijk dat Goldoni zich er zo op zijn plaats voelde - deze merkwaardig opgewekte figuur, wiens herinneringen zonder heimwee en wiens vooruitblikken zonder angst en beven waren; die overigens zo min mogelijk uit de pas met de tijd liep, want hij was een rechtgeaarde opportunist in de beste achttiende-eeuwse tradities, d.w.z. iemand die de gelegenheid te baat nam, die zonder de last te voelen van het Zwaarwichtige en het Hogere luchthartig profiteerde van het gunstige ogenblik. Het is een levenshouding waarvan wij alleen nog de epitheta kennen, zoals "galant' en "gracieus' en "elegant', leenwoorden uit een vreemde taal die niemand nog beheerst; het is levenskunst waarvan Stendhal de laatste beoefenaar was en van het verdwijnen waarvan deze Italiaanse Fransman de weemoedige getuige was.

Bloedbad

In Goldoni's dagen echter scheen de zon alsof het altijd middag en altijd zomer was. Niet dat er nooit iets verschrikkelijks voorviel in die tijd, maar het sombere en naargeestige en zwaarmoedige had eenvoudigweg geen vat op deze komedieschrijver, die verklaarde voor het tragische geen talent te bezitten.

Toen hij in zijn Wanderjahre met het gezelschap van de clown Bonafede Vitali, bijgenaamd "de anonymus', op tournee was, raakte hij te Parma verzeild in een veldslag tussen de legers van Savoye en Lombardije die uitliep op een gruwelijk bloedbad waar naar verluidt 25.000 doden vielen. In zijn Mémoires gaat hij voorbij aan de kapotgehakte lijken, de kermende gewonden en de stervende paarden; hij volstaat met het met opgetrokken neus vermelden van "quelques événements disgracieux'. Aanmerkelijk langer weidt hij uit over de gezellige boel die er na afloop van een slag pleegde te heersen. "Het is het schitterendste spektakel dat je je kunt voorstellen. Een brug die door de bres gestoken wordt, zorgt voor de verbinding tussen de overwinnaars en de overwonnenen; je ziet overal gedekte tafels; de officieren slaan elkaar hartelijk op de schouders; in en om de tenten en onder luifels worden bals gehouden, feesten gevierd en concerten gegeven. Iedereen uit de omtrek snelt toe, te voet, te paard, in open rijtuigjes; de proviand wordt van alle kanten aangevoerd; in een oogwenk heerst er een drukte van jewelste; potsenmakers en koorddansers. Het is een verrukkelijke kermis, een heerlijk samenzijn.'

Hoewel hij af en toe last had van "vapeurs', die hem terneerdrukten, achtte hij zichzelf een met geluk en tevredenheid gezegend man. "Wat is het geluk?' vroeg hij zich af, toen hij zijn Femmine puntigliose opdroeg aan François de Medicis, en hij beantwoordde die vraag zonder enige ironie met: "Het zijn, het bestaan; geboren te zijn in de Heilige Moederkerk; te beschikken over een stevige constitutie; man te zijn en geen vrouw; ter wereld te zijn gebracht door fatsoenlijke ouders; opgegroeid te zijn in een welvarend land en niet in barbaarse streken; te genieten van een gezonde geest in een gezond lichaam; gezegend te zijn met vrijheid, sociale rechtvaardigheid, goede smaak en onderscheidingsvermogen.' En zijn lijfspreuk luidde: "Omnia bona mea mecum porto', ik draag al mijn welbevinden met mij mee, of liever: ik draag alléén mijn welbevinden met mij mee. Hij had het ook anders kunnen zeggen: "Animo contento inexpugnabilis', onoverwinnelijk door tevredenheid.

In deze geest schreef hij zijn toneelstukken, die van een onverwoestbaar optimisme zijn en waarin na het nodige geharrewar over wie wie krijgt steevast de tevredenheid zegeviert. "Hij hield het publiek een spiegel voor', heet het, maar hij deed dat in theaterzalen die vrolijk en luidruchtig waren alsof er een feest aan de gang was. Aan de theaterhemel verschenen nooit donkere wolken, hoogstens dreven er de schapewolkjes van de verveling voorbij. Verveling is de grootste vijand in de stukken van Goldoni. Daarom zegt Momolo in Een van de laatste avonden van het carnaval: "Laten we niet langer nadenken. Laten we ons amuseren.'

Luchthartig

Als je je Goldoni's stukken voor de geest haalt, je verbazend over de feestelijkheid van zulk een luchthartig bestaan, kost het moeite je in te denken dat ze zijn geschreven door iemand die meende dat hij de "natuur' nabootste. "Ik heb overal de natuur gezocht en ik heb haar altijd mooi gevonden als ze mij deugdzame voorbeelden leverde en goede eigenschappen.' Realistisch toneel - maar gehaald uit een realiteit waar slechts het schone, goede en ware bestond!

Zelfs zijn vocabulaire is zonder wanklank. "De taal van Venetië is zonder meer de lieflijkste en aangenaamste van alle Italiaanse dialecten', zei hij toen men hem verweet dat hij niet in het beschaafde Toscaans schreef. "Het Venetiaans klinkt behoorlijk, fijngevoelig en eenvoudig; de woorden zijn vol en expressief; de zinnen harmonieus en spiritueel; en zoals het wezen van het volk van Venetië de vrolijkheid is, zo is scherts en luim het wezen van de Venetiaanse taal.'

Toch, ondanks deze ontwapenende onschuld, werden sommige van zijn stukken in Venetië als omstreden en aanstootgevend beschouwd. Naar aanleiding van een komedie waarin hij de plaatselijke burgerij portretteerde tijdens een bezoek aan het koffiehuis, ontving hij anonieme dreigementen. "Men sprak van degens, messen en pistolen', maar als in zijn eigen toneelstukken liep het uiteindelijk goed af.

Zijn grootste vijand was Carlo Gozzi (1720-1806), de schrijver van Turandot, De liefde van de drie sinaasappelen en andere "toneelfabels'. Het is achteraf moeilijk in te zien wat de vijandschap tussen de twee Venetiaanse schrijvers nu eigenlijk inhield, maar in die lang vervlogen dagen werd deze "controverse' beschouwd als een ware richtingenstrijd.

Het was Gozzi die aanviel; Goldoni, de beroemdste van de twee, pareerde met stilzwijgen. Bij elke voorstelling in het theater van S. Angelo, waar Goldoni werkte voor het gezelschap van Medebach, kwamen Gozzi-aanhangers de boel opruien. Ze deelden pamfletten uit en probeerden Goldoni belachelijk te maken. Het draaide er zelfs op uit dat deze aanhangers zich gingen tooien met cocardes, die de heren op hun

ZIE VERDER PAGINA 3

VERVOLG VAN PAGINA 1

hoed zetten en die de dames op hun borst speldden, en zo, in die uniforme krijgskleuren, liepen zij wekenlang door de stad. Gozzi zelf viel Goldoni aan in De liefde van de drie sinaasappelen door hem in een bijrol voor iedereen herkenbaar te karikaturiseren. Het deerde Goldoni niet; hij begon zich pas zorgen te maken toen Gozzi succes begon te krijgen - want deze theateroorlog was in de eerste plaats een strijd om de gunst van het publiek.

Pas toen hij van de troon werd gestoten en het hem goed uitkwam dat hij juist een uitnodiging ontving om in Parijs te komen werken voor de Comédie Italienne, schreef hij, bij wijze van afscheid, een antwoord aan zijn aartsrivaal. In Een van de laatste avonden van het carnaval laat hij Anzoletto spreken namens de auteur: "Er op antwoorden heeft geen zin, want als je ongelijk hebt, kun je beter je mond houden en als je gelijk hebt, wordt dat vroeg of laat toch door de wereld erkend.'

Mombakkesen

In zekere zin heeft Goldoni die erkenning gekregen, want in alle naslag- en overzichtswerken wordt hij, geheel zoals hij zich dat had voorgesteld, betiteld als "toneelhervormer'. In zekere zin heeft hij die erkenning echter niet gekregen, want in diezelfde naslag- en overzichtswerken wordt hij in één adem genoemd met zijn vermaledijde vijand. En inderdaad word je, nu het onherstelbaar veel later is geworden, vooral getroffen door de overeenkomsten tussen de twee Carlo's.

Natuurlijk: Goldoni schafte het acteren-met-maskers af, maar de "karakters' die hij ervoor in de plaats stelde, bleven ook zonder de klassieke mombakkesen types uit de commedia dell'arte; het bleven, ook onder andere namen, dezelfde Pantalone's, Brighella's, Arlecchino's, Pulcinella's, Dottore's en Truffaldino's. Hij schafte de summiere synopsis, canevas genaamd, af en schreef de kluchtige tekst tot in de punten en de komma's uit, maar het bleven dezelfde plots waar de jonggelieven, de innamorati, elkaar eerst niet en ten slotte wel veroverden, terwijl de vaders zich belachelijk maakten, de knechten er het hunne van dachten en de onvermijdelijke uitvreter de kans te baat nam om de bij al die commotie verwaarloosde broodjes en wijn achterover te slaan. Hij beteugelde de vrijheid van de toneelspelers, die voorheen in de zogenaamde lazzi, een soort show-binnen-de-show, ongebreideld flauwekul konden verkopen, maar hij schreef voor begenadigde acteurs als Sacchi en Darbes de rollen, compleet met lazzi, op het lijf.

"Ik ben geen tegenstander van de commedia dell'arte, maar ik ben tegenstander van het gebrek aan talent om ze te kunnen spelen', schreef hij in zijn Mémoires bij wijze van antwoord op de kritiek dat hij dit oude volkstoneel zou hebben willen afschaffen. "Als alle gemaskerde acteurs het talent van Sacchi hadden gehad, dan zouden die oude stukken verrukkelijk zijn geweest.' De vernieuwing die hij nastreefde betrof dan ook niet zozeer de toneelschrijfkunst alswel het toneelspèl. "Ik zou te hoog gegrepen hebben als het mijn ambitie was geweest me te scharen onder de meesters van de kunst, maar ik heb slechts de misstanden in het theater van mijn land willen bestrijden.'

Zijn belangrijkste ontdekking deed hij bij Molière. Van hem leerde hij hoe je oude vormen nieuw leven kon inblazen: niet de situaties, de verwikkelingen moesten centraal staan, maar de karakters en eigenaardigheden van de personages. "De karakters moeten het onderwerp zijn, daar ligt het wezen van de goede komedie; en het is daar waar de grote Molière is aangevangen en waar hij die graad van volmaaktheid heeft bereikt die de klassieken ons slechts vaag hebben kunnen duiden en die de contemporaine schrijvers nog niet hebben kunnen evenaren.'

Dit was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want het was in zijn tijd namelijk zo dat acteurs zich specialiseerden in één rol, zodat het onderscheid tussen een acteur en zijn rol op den duur vaak niet meer duidelijk was. Darbes bijvoorbeeld was altijd Pantalone, niet alleen op het toneel, ook daarbuiten. De eigenschappen die Goldoni dacht te vinden als de acteurs hun vaste maniertjes zouden afleren, leken dan ook verwarrend veel op die van de aloude typetjes.

Maniertjes

Het enige wat hij wezenlijk bereikte, was dat de acteurs zonder masker gedwongen waren ook hun gezicht in het spel te betrekken. Het toneel kon intiemer worden; de spelers konden zich subtieler en "gewoner' uitdrukken. Volgens Goldoni was het masker een overleefde erfenis van de Grieken en Romeinen die ze hadden ingevoerd omdat de acteurs in de enorme amfitheaters anders niet te herkennen waren. In de gezellige Venetiaanse schouwburgen was dat helemaal niet nodig. "Het masker doet nodeloos veel afbreuk aan het optreden van de acteur, het is òf vrolijk òf verdrietig; of hij nu verliefd is of woedend of geestig, hij draagt steeds hetzelfde mombakkes, en hoe hij ook articuleert of van toon verandert, hij zal nooit door gezichtsuitdrukkingen (en daaruit spreekt het hart) de verschillende gemoedsaandoeningen duidelijk kunnen maken.'

Het was zijn bedoeling met dit "waarheidsgetrouwe' toneel het publiek te laten zien hoe het zelf eigenlijk was, niet om het te bespotten, maar om het, zoals hij schoolmeesterachtig zei, "te corrigeren'.

Carlo Gozzi vond dat Goldoni met deze vernieuwingen het theater van zijn luister beroofde. Volgens hem volgde zijn rivaal met diens realisme en moralisme klakkeloos de Franse mode na, terwijl hijzelf juist terugverlangde naar hoe het vroeger was. Gozzi was een romanticus avant la lettre - die later gewaardeerd en nagevolgd zou worden door romantici als Schiller, Tieck en E.T.A. Hoffmann. Hij verkoos de fantasie, de droom, de verbeelding boven de werkelijkheid, hij had liever poëzie dan proza. Het is daarom vreemd dat uitgerekend deze dromer op de bres sprong voor het gemproviseerde toneel met zijn lazzi die veelal ontaardden in platte grappen en grollen. Al schreef hij vele, vooral op Lope de Vega en andere Spaanse schrijvers gebaseerde burlesken, zijn roem vergaarde hij met zijn Fiabe teatrali, zijn toneelfabels, waarin hij sprookjeswerelden oproept, bevolkt met personages die meer lijken op het gevolg van Marco Polo dan op de druktemakers van de commedia dell'arte.

Nu de twee jaloerse rivalen zo lang dood zijn dat ze steeds meer op elkaar zijn gaan lijken, is die "theateroorlog' over fantasie en realiteit, over moralisme en betovering en over klassiek en modern een strijd tussen papieren tijgers geworden. Het Venetië dat Goldoni zo waarheidsgetrouw portretteerde is inmiddels ook een sprookjeswereld geworden, niet minder betoverend dan het Oosterse hof waar Turandot de prinsenhoofden laat rollen alsof het dobbelstenen zijn. En uit De liefde van de drie sinaasappelen spreekt geen andere moraal dan uit De trilogie van het zomerverblijf; want zelfs de slechtste Venetiaanse eigenschappen zijn voor ons, die zulk een leven alleen uit onze dromen kennen, zo elegant en zo gracieus, dat je niet begrijpt wat Gozzi er in godsnaam platvloers aan vond.

Nu het zoveel later is geworden en de avond reeds lang gevallen is over deze wereld, geniet je vooral van de lichtheid en onbekommerdheid van dit voorgoed voorbije leven, waar lelijkheid en naargeestigheid eenvoudig niet bestonden.

Welgemutst

Zelfs toen Goldoni, min of meer op de vlucht voor Gozzi, naar Parijs vertrok en daar zijn hele leven "in ballingschap' zou blijven, zag hij het onveranderlijk zonnig in. "Ik ben pas 53', zei hij welgemutst, kreeg een aanstelling bij de Comédie Italienne, ging schrijven in het Frans en sleet zijn dagen vrij onopgemerkt, maar tevreden.

Hij had zich veel voorgesteld van een ontmoeting met de beroemde Jean-Jacques Rousseau, maar toen hij eindelijk belet kreeg bij de successchrijver, die ergens allesbehalve grandioos op vier-hoog bleek te wonen, viel het genie hem zeer, zeer tegen. Rousseau begon hem al snel te beledigen; hij vond het maar niks dat Italianen tegenwoordig zomaar in het Frans gingen schrijven en maakte zich met name kwaad over Le bourru bienfaisant, waarin hij zich meende te herkennen. ("Hoe hatelijk zich zijn gedrag voor 't oog vertoont, bezit hij niettemin een eerlijk, goed en edelmoedig hart', heet het in de Nederlandse bewerking, getiteld De weldadige knorrepot, die in 1779 verscheen.)

Daarna hield hij de Franse letteren maar voor gezien. Het kon hem weinig schelen. "Op mijn leeftijd lees ik nog maar weinig', zei hij in zijn Mémoires, "en ik lees uitsluitend boeken die mij vermaken.'

Het liefst hing hij rond in het theater. De toneelspeler Fleury herinnerde zich dat hij de oude Italiaanse schrijver vaak tegenkwam. "Ik heb hem goed gekend, want ondanks de ruzie tussen zijn collega's van de Comédie Italienne en ons, bleef hij altijd langskomen om in de foyer van de Comédie Française zijn voeten te warmen; hij kwam zo vaak, dat de toneelknecht, speciaal voor deze schrijver, een voetenbankje bewaarde bij de rekwisieten. Het was een zeer bijzonder voetenbankje met een soort kap om de benen te beschermen tegen de vonken die uit het haardvuur opsprongen. Het had zo'n vaste plaats verworven in de rekwisietenkast, dat het niet werd vergeten toen we overgingen naar een nieuw theater.'